Renske: ‘Mevrouw’, zei hij. ‘Heeft u ook voetbalplaatjes?’
Terwijl ik jonglerend met boodschappentas, fietssleuteltjes en enorme Peruaanse wollen wanten de supermarkt uitliep, stond er opeens een jongetje buiten de zoevende schuifdeuren te wachten. Hij stond pal naast de straatkrantenverkoper, en ze keken me allebei aan alsof ik hun verlossing ging brengen (daar hield de gelijkenis wel op: de straatkrantenverkoper had een baard waar een stokstaartjesfamilie in zou kunnen wonen). Het jongetje deed een stap naar voren en keek me vanonder zijn blauwe muts haast wanhopig aan. ‘Mevrouw’, zei hij. ‘Heeft u ook voetbalplaatjes?’
Ik had geen voetbalplaatjes. Ik wist zelfs nauwelijks dat er voetbalplaatjes waren, laat staan dat de verzamelkoorts zo hoog was dat er verhitte en verwilderde jongetjes voor supermarkten rondhingen om nietsvermoedende mensen te bespringen. Dit jongetje wenste waarschijnlijk zijn album welterusten voor het slapen gaan, besteedde uren aan het minutieus op volgorde leggen van Het Beste Linkerbeen, nam plaatjes mee in een envelop naar school om daar bikkelhard de beste deals te sluiten („Ik doe Dani Fernández alleen tegen Timmy Simons, een Vitesse-logo én Mark de Man.” „Mij best, ik heb Mark de Man toch lekker driedubbel”), om ze daarna geconcentreerd, met uitgestoken tong, perfect netjes in het album te plakken. Ik verzamelde vroeger Panini-plaatjes van De Kleine Zeemeermin. Het boek kwam nooit vol en ik hield een la vol halve snavels van de zeemeeuw Jutter over. Misschien maar goed ook, want er is vast geen grotere anticlimax dan het voltooien van een verzameling.
Ik beloofde het jongetje dat hij voortaan al mijn voetbalplaatjes mocht hebben, en toen ik de volgende dag mijn fiets voor de supermarkt parkeerde stond hij er weer, rode wangen van de kou. ‘Ik ga ze voor je halen’, riep ik, en ik deed snel mijn boodschappen. Trots met het pakje zwaaiend liep ik naar buiten, om daar abrupt stil te blijven staan. Voor mij stonden twéé jongetjes. Het jongetje met de blauwe muts en een ander jongetje, nog kleiner en met bruin piekhaar, die als een ware Dickens-figuur met nauwelijks verholen honger en verlangen naar het pakje keek. Op dat moment griste de jongen met de blauwe muts het uit mijn hand. ‘Sorry?’ vroeg ik beduusd. ‘Nee, maakt niet uit’, zei hij, en liep weg. Het kleine jongetje keek me met grote ogen aan. Ik zuchtte. En haalde voor 10 euro boodschappen die ik niet nodig had.



