jan blokker: Het mirakel van Maarten van Rossem en de EO
Dat we de laatste weken op zondagavond bij de EO naar Maarten van Rossem hebben kunnen kijken, was wat mij betreft een dubbel, misschien zelfs wel een driedubbel mirakel.
Wie had om te beginnen in de jaren vijftig of zestig de Nederlandse gereformeerdheid überhaupt met kijken durven associëren? Het Woord, ja. Maar het Beeld? Nooit. We weten allemaal wanneer en hoe het fundament van ons volksbestaan is gelegd: in 1566, toen de roomse kerken bestormd, en de heidense beelden vernietigd werden. Er zijn op Tholen, in Spakenburg en op de Veluwe nog steeds principiële calvinisten die liever op een brandstapel zouden sterven dan dat ze een televisie in de huiskamer moesten dulden.
Toen het goddeloze gif zich niettemin sluipenderwijs een weg had gebaand tot onder de bijbelgordel, en er een zogenaamd Evangelische Omroep werd opgericht, hadden de initiatiefnemers in ieder geval nog de goede smaak om af te spreken dat de zender nooit op de Dag des Heren in de lucht zou komen, en dat zowel de programma’s als de presentatoren zich zouden onderscheiden door een ingetogen en uitgestreken voorkomen.
Maar al gauw zag je Andries Knevel voorbij komen, en toen duurde het niet lang meer of Arie Boomsma was het ondeugende gezicht van de omroep geworden. Tegen die tijd was het hek natuurlijk al lang van de dam. In de zenderkleuring onder leiding van een voormalige EO-functionaris dong men naar zondaguren als naar de top van het kijkersbereik – alsof het om de koopzondag van televisieland ging.
Je kunt die ontwikkelingen betreuren, je kunt ze ook in een positief licht zien. Zijn we op cultureel gebied niet al jaren in de ban van de cross-over, waarbij het slot van de Negende van Beethoven wordt gezongen door een losse rapper, Noraly Beyer in haar eentje het koor in Medea doet, en architecten liefst woningbouwwoninkjes bouwen op de maat van de Notenkrakersuite zodat er iets dansants over de hele samenleving komt? Het moet een kleine moeite zijn om dit artistieke kruisbestuivingsmodel naar het integratiebeleid te transponeren. En belooft de snelheid waarmee Nederlandse calvinisten via televisie de moderniteit hebben omhelsd dan niet het allerbeste voor de kansen van historisch achtergebleven moslims, om in hoog tempo alsnog aangeraakt te worden door de Verlichting?
In vergelijking met al deze vergezichten was de arbeidsovereenkomst die Maarten van Rossem met de EO sloot over vier uitzendingen in Amerika, nog het minste mirakel van allemaal. De cross-over van de agnost naar het Onzienlijke is tenslotte een kleine stap als hij bij andere omroepen even niet terecht kan terwijl het zijn eerste levensbehoefte is om de hele dag beluisterd en bekeken te worden. Juist de EO ontving zijn plan voor een serie over de rol van het christendom in de Verenigde Staten met meer dan open armen.
Trouwe gelovigen die protest aantekenden tegen een vrijdenker bij hun omroep, hoorden bij de klantenservice: ‘Een bekende niet-christen, trekt ook andere kijkers, die normaal nooit EO kijken. Zo raken ze bekend met de hoop die in ons leeft’. De overgang van calvinisten naar jezuïeten is dus ook al naadloos verlopen.
Maar ging het niet te ver, vroegen ze in Staphorst, dat de onchristelijke reiziger ook ergens in gesprek raakte met een gewezen playmate die intussen weliswaar christen was geworden, maar van wie je nooit kon weten of haar ziel niet nog steeds naakt liep?
Mirakels.
Ik heb steeds met plezier gekeken. Niet omdat het spannende reportages waren. Natuurlijk niet. Maarten van Rossems kracht zit in het feit dat hij alles al weet, dus nooit meer echt nieuwsgierig hoeft te zijn. Maar ik bewonderde de chagrijnige flair waarmee hij als niet-christen soms toch christelijke vragen stelde.
Jan Blokker



