Archief van berichten op 29 januari 2009

Luisteropdracht: zet de radio aan. Wacht dertig seconden. De kans is groot dat je het dan al voorbij hebt horen komen: ‘Heel erg.’

Er zijn mensen die in elke zin graag een keertje ‘heel erg’ willen zeggen. Niet omdat het allemaal zo erg is. ‘Het was gewoon heel erg confronterend, maar we hebben heel erg gepraat, nou, heel erg heftig.’ Wie maar vaak genoeg ‘heel erg’ zegt, maakt er één woord van: ‘heeuwerg’.

Het handige aan ‘heel erg’ is dat je wat meer tijd krijgt om te bedenken wat je in godsnaam wilt zeggen. Laatst hoorde ik iemand in een interview het volgende kunststukje afleveren: ‘Die periode was gewoon, best wel, heel erg, die heeft me gewoon best wel heel erg gevormd.’

Het was zo’n hippige jongen die dat zei, zo iemand met veel gevoelens maar ook de juiste nonchalante houding om de meisjes niet af te schrikken. Kijk maar naar de afzwakkingen: als ‘heel erg’ toch ineens te heftig klinkt, dan kun je er van alles omheen zeggen: gewoon, best wel, ‘ergens’, op een bepaalde manier, in die zin, nou ja, en noem maar op.

‘Heel erg’ heeft trouwens niets meer te maken met negativiteit – wat je op grond van ‘erg’ zou verwachten. Het wordt alleen gebruikt om een mededeling wat extra aan te zetten. Bewijs hiervoor is dat je gerust kunt zeggen: ‘De verjaardag van tante Ans was echt heel erg erg.’ De eerste ‘erg’ is versterkend bedoeld, alleen de tweede ‘erg’ heeft de oorspronkelijke betekenis.

In sommige kringen is ‘heel erg’ echt te kinderachtig of te populair. Mensen met macht gebruiken het bijvoorbeeld liever niet te vaak. Toch moeten ook zij hun mededelingen kracht bij zetten.

De volgende luisteropdracht is: spoor het ‘heel erg’ van politici op. Goed, alvast een tipje van de sluier: het ‘heel erg’ van Wouter Bos is ‘ontzaggelijk’. Hij zegt het ongeveer een keer per minuut.

Het gerechtshof in Den Haag veroordeelde vorige week een winkelier die een T-shirt verkocht met het politielogo erop met daaronder het woord ‘corrupt’. Belediging van het openbaar gezag.

Opmerkelijk in het vonnis is de volgende zin: ‘[Het Hof] gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven T-shirts met de term „poep” en het gespiegelde politielogo.’ Die waren kennelijk niet beledigend.

Als VVD’er Mark Rutte zijn wetsvoorstel erdoor krijgt om de vrijheid van meningsuiting ongelimiteerd te maken (behalve oproepen tot geweld), dan wordt in elk geval de dunne scheidslijn tussen corruptie en poep opgeheven en kun je beide T-shirts straffeloos dragen.

In dezelfde categorie: waarom wordt Geert Wilders wél vervolgd als hij de Koran met Mein Kampf associeert, maar is het destijds nooit tot een vervolging gekomen van linksekerkleden (zoals Marcel van Dam) die Pim Fortuyn met Adolf Hitler associeerden? Om nog maar te zwijgen van de inconsequente moraal van advocaat Gerard Spong, die zowel aangifte deed tegen Wilders áls tegen Van Dam cum suis. Gaat Spong nu ook aangifte doen tegen de mensen die Wilders een fascist noemden?

Het antwoord vinden we in artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht: ‘Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht of hun hetero- of homoseksuele gerichtheid wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.’

De motivering is dat het bij Fortuyn ging om een politieke overtuiging, en die komt niet in het rijtje van 137d voor.

Maar is de scheidslijn tussen politieke overtuigingen en levensovertuigingen niet even dun als die tussen ‘corrupt’ en ‘poep’?

Aan Ruttes voorstel mogen dan bezwaren kleven (zo is er een gevaar dat hij de deur openzet naar discriminatie), het is wel een goede voorzet tot een grondig debat over artikel 137. Want zoals het nu geregeld is, leidt het artikel tot een onaanvaardbare rechtsongelijkheid.

Christiaan Weijts

Toen ik ongeveer tien jaar oud was, las ik dat een vampier alleen je huis in kan komen als je hem zelf een keer hebt binnengelaten. Vanaf dat moment was ik bang om mensen uit te nodigen. Ik vond het net iets voor mij om argeloos de deur te openen voor de buurman en hem daarna ’s avonds terug te vinden op mijn bed, zorgvuldig flossend, omringd door bebloede plukjes vacht die aangaven dat konijntje Knabbel alvast als voorgerecht had gediend.

Nu, veertien jaar later, ban ik alle knoflook uit mijn huis, doe mijn vampiergebitje in, hang knipperende neonborden buiten waarop staat: ‘VAMPIER HIER’ en zit nachtenlang voor open ramen, terwijl ik met een gelakte nagel uitnodigend over mijn ontblote hals strijk, verlangend naar een hissende vampier op mijn vensterbank. Dat komt doordat ik de film Twilight heb gezien.

Ik was laatst aan het zappen en viel in een serie met de zin: ‘Maar betekende het dan niets voor je, dat jij mijn bloed dronk in de woestijn?’ (Dat vond ik een intrigerend begin. Alsof ze bij As The World Turns opeens snikkend uitriepen: ‘Je wás er gewoon niet voor me toen ik die alien baarde!’) Deze serie heette Moonlight en het was een soort CSI met hoektandjes. Ik herinnerde me dat ik ook iets gelezen had over een tienerfilm met vampieren, en dat een vriend van me een nieuwe Amerikaanse serie volgde: True Blood, over de sociale acceptatie van vampieren na de uitvinding van synthetisch bloed. Er was maar één conclusie mogelijk: vampieren zijn weer helemaal de shitbom.

Dus ik ging naar Twilight, die alweer een tijdje draaide. Een film waarin een meisje verliefd wordt op een jongen die vampier blijkt te zijn. Hij houdt van haar, maar verlangt ook naar haar bloed. En zo ontdekte ik dat ik geboren ben in een verkeerd lichaam: ik wil vampier worden. Vampieren zijn séxy. Ik vond Twilight een van de meest erotische films ooit (en dat is enigszins verontrustend, aangezien je als twaalfjarige de film ook mag zien). Alles aan de vampieren was sensueel: hun zwoele blik, hun bewegingen in zinnelijk slowmotion en bloedzuigen, oh bloedzuigen. En het allerbelangrijkste: de praktische gemakken van bovenmenselijke kracht en snelheid (vampier zijn = nooit uitgeput aankomen bovenaan de trap).

Dus ik wacht op de mooie dag dat ik gebeten word. Tot die tijd nodig ik alle buurmannen thuis uit: mijn reputatie mag best op het spel staan als er superkrachten te winnen zijn.

Renske de Greef

Aaf heeft tot 8 februari vakantie. Renske de Greef (24) is columniste en auteur van onder andere ‘Was alles maar konijnen’.