Archief van berichten uit januari

Wie is het ergst: Benedictus XVI? Sjeik Khalid Yasin? Of de directeur van Youth for Christ?

Benedictus heeft een bisschop terugverwelkomd in de schoot van de moederkerk die in 1988 door zijn voorganger was geëxcommuniceerd. Dat is zijn pontificale recht. Maar waarom moest het een bisschop zijn die volhoudt dat de Duitsers nooit gaskamers hebben gebouwd, laat staan dat ze daar Joden in zouden hebben vermoord? Roomse Auschwitz-Lüge.

Khalid Yasin is een rondreizende radicale moslim die in Nederland zijn opvattingen mag ventileren en die meteen (in nota bene Aboutalebs Rotterdam) zou hebben hebben gezegd dat de maker van Fitna moest worden gegeseld. Volgens zijn organisatie was het een vertaalfout, en had de sjeik gezegd dat Geert Wilders een tik op de wang of de vingers had verdiend. Maar toch een vorm van mohammedaanse handtastelijkheid.

lees verder

Bij mij gaan de haren altijd recht overeind staan als er weer eens een discussie voorbij dwarrelt over negatief nieuws en de schuld van de media. Ik moet dan altijd denken aan het land waaraan ik een flink deel van mijn leven heb besteed – aan China – waar journalisten de opdracht hebben pósitief nieuws te brengen. We weten allemaal waartoe dat leidt. Een hoop weggemoffelde kwesties en emoties, en vooral: gissen naar wat er werkelijk speelt.

Volgens voorspelbare tegenwerpingen gaat die vergelijking mank: we leven hier immers niet in een dictatuur. Maar als ik verscheidene commentaren op de crisis erop na sla, bekruipt mij het gevoel dat het zakenleven (en wel meer levens) daar in tijden van krapte stilletjes naar verlang(t)(en).

Was Nederland een kapitalistische dictatuur, dan was de crisis misschien wel nooit gebeurd. Dan had de staat zich automatisch opgeworpen als hoeder van de vrije markt, zou een enkele onverantwoordelijke speculant vroegtijdig achter slot en grendel zijn verdwenen, predikte de overheid zonneschijn en oefende het publiek een geforceerd vertrouwen. En o ja, niet te vergeten: veel positieve berichtgeving natuurlijk.

In China, kan ik met stelligheid zeggen, is het ook nóóit de schuld van de (nationale) media. Daar hebben ze andere zondebokken voor gevonden: het Westen, de democratie, de internationale media, neo-imperialisten, noem maar op.

Critici van de westerse pers hebben ons inmiddels geleerd dat de media ‘een vliegwiel van de economische crisis’ zijn geweest, ‘negatieve ontwikkelingen versnellen’, ‘banken en bedrijven kapot kunnen maken’, en ‘het vertrouwen in de markt aantasten’. En wat is zijn drijfveer? Geld verdienen natuurlijk: slecht nieuws verkoopt beter. Het bewijs: als het goed gaat met de economie, dan zoeken ze nooit uit waarom.

Tja. De positieve media van de kapitalistische dictatuur zoeken het wel uit, dat klopt. Alleen het vreemde is, alle positieve verhalen ten spijt, het gaat ook dáár slecht met de economie.

Maar wacht, dat is natuurlijk de schuld van het Westen, de democratie, de internationale media, neo-imperialisten, noem maar op.

Ik heb vrijdag voor het eerst naar het programma De Nieuwe Uri Geller gekeken. Nu hou ik in principe niet zo van goocheltrucjes. Ik wil dan namelijk weten hoe het werkt en zal uit alle macht proberen de goochelaar te corrumperen met bier, crack en een pak kaarten met blote meisjes erop, en áls ik het dan eindelijk uitgelegd krijg, is het eigenlijk altijd heel saai. Ik kijk ook altijd naar programma’s die trucs van illusionisten verklappen. Terwijl die worden gemaakt door en voor hele zielige mensen die zich altijd buitengesloten voelen.

Uri Geller – van de impotente lepels – zou dan weliswaar paranormaal zijn, maar mensen die trucjes doen en beweren dat ze een gave hebben vind ik eigenlijk ook onuitstaanbaar. Je kúnt er ook niet zoveel mee: ‘Ah Uri, je hebt een lepel gebogen.’ ‘Yep, met de powers of my mind.’ ‘Jeetje. Wat knap. Nou. Ik zie je later wel weer, oké?’ Toch zat ik vrijdag klaar. Dat kwam doordat het in dat programma steeds mis ging: in Duitsland was er bijna iemand verdronken en hier was ene Angelique geschampt door een speer. Het idee van een Idols-achtige voorronde van paranormalen, waarin ze steeds de verkeerde kaart raadden en de sleuteltjes van hun eigen kooi kwijtraakten ergens in hun lijf, ja, dat deed me wel wat.

Er werd een opvolger voor Uri Geller gezocht, en in een show vol onheilspellende synthesizermuziek lieten kandidaten hun krachten zien, allemaal sprekend in dramatisch staccato: ‘Dit! Is! Levens! Gevaarlijk!’ (Evert Santegoeds zorgde overigens voor een mooi absurdistisch randje: hij nam als levensreddend geluksvoorwerp een afstandsbediening van Shownieuws mee, wat resulteerde in zinnen als: ‘Denk aan de afstandsbediening! Alleen die kan je leven redden!’)

De ‘experimenten’ hadden te maken met gedachtenlezen, dobbelstenen laten bepalen in welk hokje iemand zit (eerst de andere hokjes platbranden) en een veer laten zweven. En ik was een beetje in de war: dit waren gewoon goocheltrucs. Het enige verschil met Hans Klok was dat de kandidaten minder leuk wapperend haar hadden. Het werd gepresenteerd als magie, als bovennatuurlijk. Maar de kandidaten weten waar de touwtjes en verstopte magneetjes zitten, en het programma ook. Mag je dan zomaar iedereen voor de gek houden? Hoewel heel Nederland dit waarschijnlijk al wist, voelde ik me intens beledigd, en herinnerde me er toen weer aan dat ik niet tegen goocheltrucs kan. Ik ben dan ook geen voorstander van een nieuwe Uri Geller. Laten we eerst de oude opmaken.

In een live televisieprogramma van de NPS zullen we volgende week te horen krijgen wie de nieuwe Dichter des Vaderlands moet worden. Ik vrees dat de presentatie in handen is gelegd van Joost Karhof, en dat de poëzie er zal worden gevierd als een oud wijfje dat alweer honderd is geworden. Maar de uitzending is op een woensdag, en dan heb je op de andere netten altijd óf voetbal, óf een Krimi, en als het meezit allebei. Op zo’n avond haalt Nederland 2 het marktaandeel toch nooit.

Joost Zwagerman noemde vier jaar geleden de nu aftredende Poeta Laureatus ‘een Groningse rijmelaar’, en gedurende het soort Idols-avond dat toen ook al aan de uitslag werd verkwist pleitte hij, in een discussie met Ivo de Wijs, voor een dichter wiens werk ‘meerduidig’, ‘vernieuwend’ en ‘ontregelend’ was; Joost heeft nooit gebrek aan een paar dikke woordjes. Ivo de Wijs van zijn kant had liever begrijpelijke, vormvaste en zo mogelijk enigszins vermakelijke gedichten om grote nationale gebeurtenissen (Willem-Alexander, Wilders, Watersnood) poëtisch gemarkeerd te krijgen.

lees verder

De vriend die ik afgelopen weekend had meegevraagd naar de film was niet blij dat ik twintig minuten te laat was. ‘Normaal vind ik het niet erg’, zei hij. ‘Maar nu leek het alsof ik in mijn eentje in de rij stond voor de film Pervert.’ We zijn op het Rated X Alternative Erotica Festival: hogelijk verantwoorde erotiek. Terwijl we een kopje koffie drinken wordt op een scherm achter ons een homevideo-achtig seksfilmpje vertoond. Verantwoorde erotiek heeft veel te maken met wazige beelden en lichaamshaar, merken we al.

Ik had eigenlijk gehoopt op wat vrouwvriendelijke porno. Eindelijk, zo dacht ik, zou ik zien hoe de roep van vrouwen om een goede seksfilm was vertolkt. Ik stelde me een film voor met veel frisgewassen lakens, geaai en kortgeknipte nagels (er zou een wet moeten komen tegen die angstaanjagende nepnagels. Die stralen niet uit: sexy, maar: fileren). Maar helaas, er zijn nu geen vrouwvriendelijke seksfilms, vertelt het festivalmeisje mij. Op de vorige editie wel, toen was het hip. Dat was twee jaar geleden. Ik heb het idee dat ze me een beetje meewarig aankijkt. Waar we wel naar toe kunnen, zegt ze behulpzaam, is de film over het leven van Betty Page, ’s werelds eerste pin-upmodel.

De recent overleden Betty Page, met haar beroemde strakke pony, heeft behalve de bekende pin-upfoto’s (stippeltjesbikini’s, sjaaltjes in het haar en een guitige rode kersenmond) ook veel sm- en bondagemateriaal gemaakt. De film heet dan ook omineus: Betty Page: A Dark Angel. Hij had ook: Betty We’re Really Really Sorry kunnen heten, want dat lijkt me wel het minste wat de makers aan wijlen Betty verschuldigd zijn. In een twee uur durende C-film wordt haar leven nagespeeld, compleet met de foto’s, het verlangen een Echte Actrice te zijn (het zal toch ook eens niet) en het uiteindelijke vinden van God. Jammer genoeg voor Betty (en voor ons) heeft de actrice die haar vertolkt het acteertalent en sexappeal van een visstick. Tussen de scènes door is een soort schamele poging gedaan de filmpjes van Betty, die helaas verloren gingen, na te spelen. Jarretels, korrelige zwart-witbeelden en een bluesmuziekje op de achtergrond: op zijn best alsof je pikante Bijenkorf-schortje tot leven is gekomen. Op zijn slechts gewoon héél erg saai.

We blijven daarna maar heel lang kopjes koffie drinken, zodat we op het scherm achter ons tenminste nog zien waar we voor kwamen: wazige, harige maar zeer verantwoorde erotiek.

Er zijn maar weinig uitspraken die iets concreets veranderen in de wereld.

De eed bij de inauguratie van een Amerikaanse president is zo’n soort uitspraak. Pas als de tekst is uitgesproken, kan de spreker beginnen aan het uitoefenen van zijn ambt. Sterker: Obama kon aan de slag doordat hij de tekst, hakkelend en wel, uitsprak. Zo’n uitspraak heet in de taalkunde een performatief. Mensen houden van performatieven, omdat ze woord en daad in één zijn.

Er zijn ook uitspraken waarmee iets wordt beoogd, maar waarmee juist het omgekeerde wordt bereikt. Een voorbeeld. Als een dokter zegt: „Er is geen enkele reden tot paniek,” is het effect bij de patiënt natuurlijk altijd: blinde paniek. Voor zover ik weet bestaat voor zulk soort uitspraken geen officiële term, dus laten we het bij deze noemen: de ‘had nou je mond gehouden’-uitspraak. Ik ben een verzamelaar van ‘hnjmg’-uitspraken.

Tot nu toe in mijn verzameling:

„Trek je van mij niets aan” – dat is dan meteen niet meer mogelijk.

„Lekker stil hè?” – totdat jij je mond open deed wel.

(lijkt op de vorige) „Slaap je al?”

Een man die om wat voor reden dan ook zegt: „Je hoeft voor mij niet bang te zijn,” wordt daar juist heel erg eng van.

Iemand probeert het familiediner te redden door te zeggen: „Gezellig he? Vinden jullie het ook zo gezellig?” Het resultaat is dat het laatste restje gezelligheid heel snel de kamer uitrent.

„Doe geen moeite” zorgt er vaak voor dat er juist wel moeite gedaan wordt, ook als je echt bedoelde dat er geen moeite gedaan moest worden.

Iemand vertelt iets gênants. De hele kamer valt stil. De spreker zegt: „Hé, nu valt het ineens stil!” De bedoeling is dat dat de spanning verbreekt, maar vaak wordt de sfeer dan alleen maar ongemakkelijker.

Als de performatief een perfecte Sachertorte is, is de ‘hnjmg’-uitspraak een ingezakte kaassoufflé. De eerste is lekkerder, de tweede krijg je vaker op je bord.

Inmiddels is Jan Peter Balkenende (CDA) zo’n beetje de enige Nederlander die géén onderzoek naar de steun voor de inval in Irak wil. Zoals iemand die na een misdrijf halsstarrig weigert zich aan het grootschalige DNA-onderzoek in de omgeving te onderwerpen, zo is de premier nu pijnlijk verdacht.

En zoals dat gaat met zwijgende weigeraars: ze genereren een wildgroei aan gissingen, geruchten, gestaafd met halve feiten en verwarrende bewijzen. Rond het zwijgen van de premier zijn inmiddels aangekoekt: een geheime nota (van adviseurs die twijfelen aan de volkenrechtelijke basis), een brief aan een burger (waarin de premier de massavernietigingswapens als casus belli opvoert) en het radioprogramma Argos dat claimt dat Nederland zelfs militaire steun verleende (commando’s en verkennende F-16’s).

Als dat allemaal waar is, is het heel ernstig. Dan was Nederland fout in de oorlog. Alleen al alle mist die er nu omheen hangt, maakt het onderzoek absoluut noodzakelijk.

Waarom verdween het Irak-onderzoek ook alweer van tafel? Omdat Balkenende in de coalitieonderhandelingen zijn poot stijf hield: als tolgeld tot de coalitie moest Wouter Bos (PvdA) het Irakonderzoek laten schieten. Toenmalig formateur Herman Wijffels (nota bene van CDA-huize) wil nu zelfs dat het onderzoek er komt.

Balkenende houdt zijn poot nog altijd even stijf. Daarmee lijkt hij op iemand die nog steeds geen DNA wil afstaan, terwijl er getuigenverklaringen opduiken, wapens in zijn tuinhuisje gevonden worden en er drommen mensen voor zijn hek samenkomen met pek en veren. Balkenende blijft onvermurwbaar. „Ik heb er kennis van genomen,” zegt hij met verkrampte glimlach. Waarom zoveel halsstarrigheid? Alleen zo’n onderzoek kan Balkenendes geloofwaardigheid redden.

Of juist breken. Daarvan heeft het nu alle schijn. Zal Irak dan JP’s Waterloo worden? Wel sneu dat Bush hem dan zo snel vergeten is. Op een bijeenkomst met wereldleiders wist Bush niet eens meer wie hij was (‘Mister Balkenende returned to… ehm… his country’). En in zijn rondje afscheidstelefoontjes belde Bush met de leiders van Denemarken, Italië, Rusland, Georgië. Alleen in huize Balkenende bleef de telefoon doodstil.

Christiaan Weijts

Mijn vriendin heeft een konijn. Toen dat konijn na een tijdje droef door het gaas begon te staren en zuchtte naar voorbijdrijvende wolken in de vorm van twee oren, had ze het idee dat hij misschien wat eenzaam was. Hoewel ze wist dat konijnen liever met zijn tweeën waren, twijfelde ze of ze er zelf wel twee wilde. Dus stopte ze elke avond schuldbewust een extra worteltje in zijn hok. Toen ze me echter opbelde en paniekerig vertelde dat hij haar zo verwijtend aankeek, en ze zeker wist dat hij ‘sadist’ naar haar had gehist toen ze hem oppakte, vonden we allebei dat het beter was (voor de mentale gesteldheid van beiden) dat er een nieuw konijn zou komen.

Ik heb een voorliefde voor konijnen, dus ging graag mee naar de fokkerij om er eentje uit te zoeken. Bovendien moest het eerste konijntje mee, om te kijken of het samen goed zou gaan. Ik zat in de auto met het pluizige bolletje op schoot en hoopte dat de fokkerij een konijnenwalhalla zou zijn, met een stralende wei en een goedlachse boer die een niezend babykonijntje in zijn pet zou dragen. Dat het januari was en het weer het best omschreven kon worden als ‘je nurkse oom in een grijze wollen trui’, vergat ik voor het gemak even.

Er stapte een man op ons af die eruit zag alsof hij als hobby koeien uitbeende. Hij heette Benny. Zwijgend leidde hij ons naar een schuur waar een rij konijnenhokken stond en opende er eentje. Binnen was het een wirwar van nieuwsgierige oortjes, snuffelneusjes en wiebelstaartjes. Althans, dat zagen wij. Benny de konijnenfokker zag waarschijnlijk zakjes geld op poten. Hij pakte er één ruw bij zijn nekvel. ‘Deze?’ Mijn vriendin knikte, lichtjes geïntimideerd. ‘Je kan de ander ook nog ruilen hoor’, zei Benny. ‘Maar dat is mijn konijn’, zei mijn vriendin gekwetst. ‘Die heb ik al vijf maanden.’ Benny haalde zijn schouders op en zette de konijntjes bij elkaar, waarop ze onmiddellijk begonnen te vechten. De vriendin schrok, maar boer Benny wist raad. Hij pakte de dieren op en liep weg. Toen hij met ze terugkwam keken ze ons verdrietig aan. ‘Wat heeft u gedaan?’ vroeg ik. ‘Oh, gewoon. Even de tanden afgeknipt.’

In de auto terug zat ik met de twee tandeloze konijntjes op schoot. Terwijl mijn vriendin probeerde te rijden en aaien tegelijkertijd, zei ik troostend: ‘Stil maar. We zullen hele lekkere wortelmousse voor jullie maken.’