Archief van berichten op 5 februari 2009

De woorden ‘joh’ en ‘goh’ worden zelden in een normale zin gebruikt. Wel hoor je ze vaak als mensen zichzelf citeren, bijvoorbeeld als ze over iemand aan het roddelen zijn: „Dus ik zeg tegen Louise: ‘Goh, kun jij morgen die stukken aanleveren?’ En Louise gaat meteen van: ‘Nee, daar heb ik het nu echt te druk voor’, en dit en dat. Dus ik zeg: ‘Joh, misschien kun je anders Heleen er even bij betrekken’, maar nee, dat was dan ook weer te veel moeite.”

Natuurlijk heeft het ‘goh’-citaat in het echt nooit plaatsgevonden. Niemand zegt écht: „Goh, kun jij die stukken morgen aanleveren?” Maar in het citaat zorgt het ervoor dat er een zweem van redelijkheid, van opgeruimdheid om de spreker komt te hangen. Bij het roddelen lijk je zelf de normale partij, en de ander de onredelijke gek.

Omdat ‘goh’ en ‘joh’ redelijkmakers zijn, worden ze ook veelvuldig gebruikt in hulpverlenersland. „Hoe ga je met die hangjongeren om? Ga met ze in gesprek! Zeg gewoon: ‘Joh, ik merk dat jullie elke avond in mijn portiek plassen, maar dat stinkt!’” Ik zeg: succes met deze interventie.

Het redelijke en opgeruimde van ‘joh’ kan ook potsierlijk worden. In het radioprogramma Adres onbekend vertelde iemand onlangs een dramatisch verhaal over zijn net uit Turkije geïmmigreerde moeder, die haar man met een buitenechtelijk kind van een Nederlandse vrouw aantrof: „En mijn moeder ziet die baby, nou, big surprise natuurlijk, dus zij zegt: ‘Joh, wat is dit?’”

‘Joh’ is trouwens niet altijd een redelijkmaker. ‘Joh’ kan ook totáál anders uit de hoek komen: als cynische dooddoener. Een tijdje geleden in het televisieprogramma Memories, tour d’amour. Een oude man vertelt over zijn verloren vakantieliefde van bijna een eeuw geleden en bekent met tranen in de ogen: „Zo intens heb ik de liefde nooit meer beleefd.” Waarop presentatrice Anita Witzier antwoordt: „Joh.”

Hoe houden we de klassieke muziek in leven als alle grijsaards de Concertgebouwstoelen voor hun graf hebben verruild? Het meest waardeloze antwoord op die waardevolle vraag gaf hoogleraar Hans Abbing deze week (nrc.next, 3 februari). De klassieke muziek moet de praktijk van de popconcerten overnemen, vindt hij, en pleit voor staconcerten, Klassiek in Paradiso, lekker in- en uit lopen met bier en chips. „Die luisteraars hoeven niet alle details te horen, ze willen gewoon een leuke avond hebben.”

Je moet wel kunstsocioloog zijn om zoiets ezelachtigs te bedenken. Dat klassieke muziek stilte en aandacht vereist, heeft niets te maken met ‘etiquette’, ‘stijve sfeer’ of misplaatst respect voor ‘hoge kunst’, zoals Abbing beweert. Klassieke muziek heeft stilte nodig zoals een schilderij voldoende licht. Zoals je Vermeers Gezicht op Delft ook niet in een donkere bezemkast zet (‘de kijkers hoeven niet alle details te zien’), zo gooi je de Pastorale van Beethoven ook niet in een lawaaierig jongerenhonk.

Ja, de socioloog heeft vast gelijk met zijn constatering dat mensen steeds meer een leuke avond willen hebben, maar het is een hoogleraar onwaardig om die vervlakking toe te juichen en te willen faciliteren. Klassieke muziek heeft veel waardevollere ervaringen te bieden dan dat ene woord dat de verveelde mentaliteit van de consumerende massa opsomt: leuk. Het is aan onderwijzers en vooral aan wie ooit als de intelligentste onder hen golden, hoogleraren, om bij jongeren een gevoeligheid te stimuleren waardoor kunst hun levens kan verrijken. Leer ze kijken, leer ze lezen, leer ze luisteren.

Afgelopen dinsdagochtend liep ik door het Palais des Beaux-Arts in Brussel. Er hing een weldadige stilte, die alleen doorbroken werd door groepen kleine kinderen, kleuters nog, die in kleermakerszit rond doeken samendromden terwijl leraren uitleg gaven. Ademloos keken ze hun ogen uit.

Abbings houding past in een oprukkende misvatting dat ‘hoge cultuur’ als straf wordt ervaren door jongeren en dat je die niet mag ‘opdringen’ en moet verpakken als entertainment. Zo ontzeg je ze om van Vermeer of Beethoven te genieten. Zo maak je de toekomst leuk.

Christiaan Weijts

Een vriendin van mij moest afgelopen weekend werken als doorbitch. Een doorbitch is iemand die op feesten keurt of mensen naar binnen mogen, meestal aan de hand van hun kleding. Het blijft een gek idee dat zij over feestgangers beslist met een minzame Romeinsrechtelijke duim omhoog of omlaag, vooral omdat ik haar ken als iemand die graag boterhammetjes met hagelslag voor je maakt. Ze stond ook aan de deur bij Wasteland, een fetisjfeest waar mensen niet-ademend pvc en ik-stap-je-hondje-lek-pumps dragen, en daar zou ze een levende deurmat krijgen: een meneer waarover iedereen naar binnen zou wandelen. Daar was ze van tevoren nogal bang voor. ‘Wat als-ie nou heel veel pijn heeft?’ vroeg ze bezorgd. ‘Wat als-ie het nou heel lekker vindt?’ vroeg ik. Toen was ze nog banger. Uiteindelijk had de levende deurmat griep, iets waar ze intens blij om was. Maar dit was een feest met als thema ‘Burlesque’: erotisch, decadent; een nachtclub waar een vrouw in korset aan een sigarettenpijpje lurkt en luistert naar ingewikkelde jazz. Of zoiets. Ik had al eerder van Burlesque-feestjes gehoord, maar dit was in Zaandam, wat betekende dat het nu voor een groot publiek zou zijn, voor ‘25-plussers die zich ontheemd voelen in de hedendaagse uitgaansscene en verlangen naar stijl’.

Een andere vriendin ging mee. Ik wilde graag tepelkwastjes zien. Zij wilde oprecht weg van de hedendaagse uitgaansscene. Dat komt doordat ze lesbisch is. Volgens haar werd het uitgaan namelijk overgenomen door De Vanillelesbiennes: meisjes die enkel ’s weekends experimenteerzoenen. ‘Zij versieren mij, en als ik dan verder ga ben ik opeens een vieze pot. Ik loop voortdurend blauwtjes door meisjes die te veel naar Kate Perry luisteren.’ Ik had nog nooit stilgestaan bij het idee dat zoenende meisjes ook vervelend konden zijn. Maar nu hoopte ik net zo hard als zij dat er op dit feest iemand zou rondlopen die niet alleen naar stijl verlangde, maar ook naar serieus geschaar.

Die persoon was er niet. Wel waren er: kleine, kale en extreem gespierde mannen. Met hun typische gorillaloopje (want te gespierde armen en benen) liepen ze door de vrij lege zalen. Terwijl alles een gevoel van luxe en opwinding zou moeten uitstralen – veel rood licht, buikdanseressen – wilde het maar niet echt chic worden, en het enige wat me aan erotiek deed denken was het vermoeden dat iedereen swinger was. ‘Dit is het dus ook niet’, zei de vriendin. ‘Maar er is wel een meisje met tepelkwastjes’, zei ik. ‘Daar kunnen we misschien beiden bevrediging uit halen.’