Archief van berichten op 26 februari 2009

De vorige keer dat er een vliegtuig in Amsterdam neerstortte, in 1992, werd ik ontzettend kwaad op mijn middelbare schoolvijand M., die later in het leven trouwens mijn beste vriend werd.

M. had in 1992 al journalistieke aspiraties en was met zijn cassetterecorder naar de Bijlmer gegaan om een sfeerreportage over de vliegramp te maken. Ik vond het onethisch dat hij daar mensen had lastiggevallen, en schold hem de volgende dag op school uitgebreid uit.

En nu reed ik zelf over de A9, op zoek naar het vliegtuig van Turkish Airlines. Ik had ook journalistieke aspiraties gekregen, maar eigenlijk geen idee wat ik daar nu mee moest. Het vliegtuig zien, dat was belangrijk, dacht ik.

lees verder

Humor en horeca: een ongelukkige combinatie. Laatst was ik in een brasserie waarvan ik de naam niet zal noemen. Het was in deze brasserie onmogelijk om een gerecht te bestellen dat géén grappige naam had. Een mandje brood met kruidenboter heette ‘rustgevend voorspel’. Een salade met gerookte kip heette ‘Sonjaadegijok?’ (dat is Brabants voor ‘volg je ook het Sonja Bakkerdieet?). De salade met garnalen heette: ‘Gamboleraa… Gambaïoli’.

Misschien ben ik een chagrijn, maar ik heb er moeite mee om tegen de serveerster te zeggen: „Doet u mij maar de ‘Mèrege veul herrie van de kerrie’, of nee, de ‘Doe toch Normandisch man’.” Je wordt als klant gedwongen die namen komisch uit te spreken, het personeel moet er geforceerd om lachen, en uiteindelijk zit je met z’n allen in een vicieuze cirkel van pseudohumor.

Zat de brasseriehouder in een delirium toen hij de menukaart opstelde? Of is het een geraffineerd marketingplan? Kun je voor een geitenkaassalade die ‘Mèhèhè mèhèhè’ heet, meer geld vragen? Zijn klanten minder kritisch op de smaak als iets een gekke naam heeft?

Wat het ook is, de brasserie waarvan ik de naam niet zal noemen is absoluut niet de enige. In elke middelgrote provincieplaats is inmiddels wel een etablissement waar humor de kaart beheerst.

Het liefste ben ik in een restaurant waar niets grappig bedoeld is. Als er dan onbedoeld toch nog wat te lachen valt, is dat alleen maar mooi. Onlangs bevond ik mij in een klein dorp bij het Meer van Genève, waar een Thais restaurant was. Het restaurant heette ‘Chez Porn’. Nu schijnt ‘Porn’ een Thaise meisjesnaam te zijn, dus strikt genomen is er niets aan de hand, maar ik denk dan, hoe vaak zou Porn dat moeten uitleggen?

Ik moet er niet aan denken hoe de Nederlandse brasseriehouder los zou gaan op de menukaart van ‘Chez Porn’. Gelukkig heeft Porn helemaal geen humor en is het gewoon groene curry wat de klok slaat.

Paulien Cornelisse

Het is fascinerend om te zien hoe snel een rage zich over de globe verspreidt. Na de schoenworp op president Bush door een Irakese journalist, zijn er schoenen gegooid naar de Chinese president en schoenen gegooid op Downing Street. En recentelijk kreeg een Israëlische legerwoordvoerder schoenen naar zijn hoofd in Amsterdam, tijdens een lezing. De daders waren studenten.

Schoenwerpen is bij uitstek geschikt als mondiale articulatie van een moderne protestkreet. Door het ultrakorte aan het humoristische te paren, leent het zich uitstekend voor internetverspreiding. Het heeft iets van een scholierengrap, een onschuldige variant op happy slapping. Daar komt nog bij dat er niet tegen te beveiligen is. Waar mensen zijn, zijn altijd twee keer zoveel schoenen.

Een man uit Saoedi-Arabië heeft 10 miljoen dollar geboden voor de schoenen van de Irakese journalist. Ik geloof dat zelfs de schoenen van Diego Maradona nooit zoveel hebben opgeleverd.

‘Schoenworp Bush’ is inderdaad te zien als kunst, als performance op het podium van een geglobaliseerde wereld. Wat er zo mooi aan is, is hoe het oeroude en het hypermoderne in zulke werken de hand schudden, hoe primitivisme en technologie elkaar omarmen, zelfs met overstijging van de religies. Want niet alleen de islam, ook het Oude Testament kent het: ‘Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen!’ (Psalm 60:10)

De kunststatus is ook gerechtvaardigd door het Nachleben van Schoenworp Bush. Inmiddels zijn er computerspelletjes en schoenenwinkels waarin je schoenen naar wereldleiders kunt werpen. Er is een reusachtige bronzen schoen gemaakt als standbeeld. Ondertussen buigen rechters zich over de vraag of een schoenworp onder ‘belediging’ valt of ‘poging tot lichamelijke mishandeling’.

Prikkelend is de ironische ambiguïteit van dit alles. Geen rechter, president (‘het was maat 44’) of burger ter wereld die er níét om geglimlacht zal hebben. En zo brengt dit kunstwerk, misschien wel ongewild, in de mondiale spanningen iets subliems binnen dat ontbrak: de humor. Alsof er gezegd wordt: het is allemaal veel te ernstig om serieus te benaderen.

Christiaan Weijts