In elke boekwinkel liggen ze hoog opgetast: de romans, columnbundels en haikuverzamelingen van schrijvers over hun empathische hond, hun scherpzinnige poes, hun ontroerende varken. Dat krijg je met zo’n Boekenweekthema. Ik zal niemand veroordelen die zijn mijmeringen over zijn huispoes bundelt in een boekje. Ik bedoel, ik denk zelf al tijden na over het ooit te verschijnen boek Bremton en Bremma uit de Bremstraat: het aangrijpende rags to riches-verhaal van mijn eigen poezen, hoe ze van hun nederige geboortegrond (de Bremstraat in Amsterdam-Noord) via het asiel opklommen tot een luxebestaan bij mij thuis. lees verder›
Archief van berichten op 12 maart 2009
Waar een wil is, is een weg, schijnt. Maar omdat de moderne mens in de welvaartsmaatschappij zo véél wegen in kan slaan, is het met de wil wat moeilijker gesteld. Mensen weten niet meer wat ze willen. Aldus een willekeurige trendwatcher op een willekeurig adviesbureau met een willekeurige moderne bril op zijn neus.
Theorieën over ‘bewegingen in de maatschappij’ zijn meestal jeukverwekkend. Toch is er met ‘willen’ wel iets aan de hand. In ieder geval in de taal.
Sinds een paar jaar kan de moderne, hippige mens zeggen: ‘Dat wil je niet weten.’ Het lijkt alsof de toehoorder zelf niet kan beslissen wat hij wil weten, daarom bedenkt de spreker het voor hem.
‘Hoe ben je nou uiteindelijk ontslagen?’
‘Dat wil je niet weten, echt verschrikkelijk was het.’ Waarna alsnog het hele verhaal eruit komt. ‘Dat wil je niet weten’ gaat dus niet over wat iemand wil weten, maar kondigt alleen maar aan dat er een verhaal komt waar medelijden voor moet worden opgebracht.
‘Willen’ wordt ook dwingender gebruikt: ‘Meedoen aan een biathlon? Dat wil je echt niet. Geloof me.’ Het is dus niet: ‘dat kun je niet’ of ‘dat mag je niet’ of ‘ik raad het je af’, maar ‘dat wil je niet’.
Zoals gebruikelijk is deze taalontwikkeling de schuld van de Amerikanen. Die zeggen heel vaak ‘You don’t wanna know’ en ‘you don’t wanna do that’. Amerikanen gaan er trouwens verder in dan Nederlanders, ze gebruiken het ook voor positief advies. Vraag je aan een Amerikaan waar het postkantoor is, dan kan hij rustig antwoorden: ‘You wanna follow this road, and then you’re gonna wanna ask again.’ Thanks.
Over een paar jaar gaan wij dat hier dus ook doen. Maar voor het zo ver is wil je nu eerst even je krantje lezen, dan wil je lekker aan de slag, en vanavond wil je lekker tv kijken.
Paulien Cornelisse
Een van de bondigste diagnosen van de economische malaise kwam na het eerste crisisoverleg: „Het gaat au doen.” Tot ons sprak onze vicepremier, André Rouvoet (CU). Nu weet ik wel dat hij tevens minister voor Jeugd en Gezin is, maar met het toespreken van burgers alsof het driejarige kleuters zijn, neemt hij die taak wel erg letterlijk.
Ernstiger is dat Rouvoet hier niet alleen in staat. Te oordelen naar Postbus 51-campagnes beschouwt de overheid ons als onnozele kinderen, die net hebben leren lezen en schrijven. Zo lanceerde het ministerie van Sociale Zaken de site ‘IkKan.Nl’. Op een stippellijntje kun je als werkzoekende in koeienletters invullen wat je kunt („bijvoorbeeld koken, rekenen of fietsen”), wat dan zou resulteren in een potentiële baan. (Zelf kom ik uit op een carrière als bedenker van boorspoelprogramma’s.)
Ook laat de overheid ons graag spelletjes doen. Leuk: speel het ‘dodehoekspel’! Stap in een simulator die test of je geen ‘slaaprijder’ bent, of geen medicijnen gebruikt die je rijvaardigheid beïnvloeden. Er zijn spelletjes om fietslampjes te verzamelen, noodpakketten samen te stellen, en de Nederlandse taal te leren.
Behalve van spelletjes houden kinderen ook van rijmpjes van het type ‘je bent top, Bob!’ De slogan ‘leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker’ is volstrekt misplaatst. De overheid doet er juist alles aan om ons leven leuk te maken. Ze verloot iPods onder tienermeisjes die zich vaccineren tegen kanker, en plaatst abri’s met Teletubbie-achtige mannetjes die ons oproepen plastic afval te scheiden. Leuker, maar beslist niet gemakkelijker, want de posters vertellen me nergens waar ik met mijn plastic heen moet.
Kosten per campagne: een half miljoen. Terwijl veel van die infantiele kolder de doelgroep totaal niet bereikt. Neem het radiospotje waarin een leraar zegt dat „Ahmed niet goed kan meekomen”. In gebrekkig Nederlands vraagt een vrouw: „Waar naartoe meekomen? Schoolreis?” En dan: „Ga naar hetbegintmettaal.nl”
Inderdaad, het begint met taal, en door het Kabouter Plop-taaltje van de overheid voel ik me volstrekt niet serieus genomen. En dat doet au.
Dat doet heel erg au.
Christiaan Weijts



