Een puberjongen zou gek worden in deze omgeving: straten vol tienermeisjes tussen de dertien en de vijftien. Ze zijn identiek gekleed, met strakke spijkerbroeken die in Uggs zijn gestopt, grote zonnebrillen en immense handtassen aan hun arm. Ze lopen licht voorovergebogen, alsof ze door de handtassen worden voortgetrokken. lees verder›
Archief van berichten op 19 maart 2009
Omdat in de Boekenweek ineens blijkt dat iedere zichzelf respecterende schrijver een innig en betekenisvol contact heeft met de hond of de kat die toevallig ook in huis woont: taal en dieren.
Dieren zijn zelf niet zo goed in taal, behalve de grutto die de hele tijd zegt dat hij een grutto is („Grut-to! Grut-to!”), en de kievit die ook voortdurend „kievit” moet zeggen (de koekoek heeft er ook een handje van). Verder is het vooral veel gekrijs, gehijg en gesis. En getwiet natuurlijk.
Omdat dieren zo slecht zijn in taal, zijn ze bijzonder geschikt om tegen aan te lullen. Ze zeggen toch niets terug. „Zo, jij wilt naar buiten! Nou, zal mama dan even de deur opendoen?” Mama. Tegen een poes. Oké, zelf heb ik me er wel eens op betrapt dat ik me aan een poes voorstelde als ‘tante Paulien’, maar bij ‘mama’ trek ik de grens.
Gek trouwens, want wat kan die kat het schelen?
„Waar istie dan? Waar istie dan? Ben je nou onder de bank gaan zitten, mallerd! Terwijl mama net zo’n lekker maaltje heeft gekocht!” Wat in menselijk verkeer te gênant of te eng is, wordt tussen mens en dier ineens mogelijk. „Je bent een lieve pluizenbol, en daarom ga ik mijn neus in je buikje stoppen! Ja! Ja! Nee niet weglopen.”
Er zijn ook mensen die dieren helemaal niet misbruiken als praatpaal. Die mensen snappen het niet. Het zijn de types die tegen elk dier ‘hij’ zeggen, ook als het dier een meisjesnaam heeft en geslachtelijk een meisje is. Ze zeggen ook liever ‘die kat’ in plaats van gewoon de naam van het beest. „Wat doet die kat op mijn plek?” „Mupke! Ze heet Mupke, en ze heeft net zo veel recht om hier te zitten als jij!”
De kat denkt ondertussen aan brokjes.
Paulien Cornelisse
Studenten die aan een kunstopleiding zijn afgestudeerd mopperen dat hun studie ze onvoldoende op de arbeidsmarkt heeft voorbereid. Ze zijn werkloos of verdienen te weinig. Dat staat in een brief van minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) aan de Kamer.
Aansluiting van het kunstonderwijs op de arbeidsmarkt is zoiets als aansluiting van het telefoonnetwerk op de waterleidingen. Kunst is immers geen baantje, geen cao-overeenkomst met vakantiegeld, pensioenopbouw en dertiende maand.
Mensen kunnen helemaal geen kunstenaar worden (zichzelf zo noemen is al verdacht), ze kunnen het hooguit blijken te zíjn. Kunstopleidingen hebben geen andere plicht dan zulke talenten te begeleiden, hun vaardigheden helpen te perfectioneren.
Plasterk vraagt de hbo-raad nu een „sectorplan” op te stellen, en de „brancheverenigingen en sectorinstituten” moeten nauwer gaan samenwerken met het „kunstvakonderwijs”. Allemaal omwille van die voor kunstenaars irrelevante ‘arbeidsmarkt’.
Wat willen minister en klaagkunstenaars? Curricula als ‘kunst en ondernemerschap’ die de studenten klaarstomen als kleine Damien Hirstjes-in-de-dop, om in maatkostuums met attachékoffertjes hun flauwekul te slijten aan vermogende onnozelaars?
Begrijp me niet verkeerd: ik pleit niet voor de romantische kolder dat kunstenaars ‘in armoede’ en ‘buiten de maatschappij’ moeten leven, maar er ligt een breed schemerland tussen de bohémien en de snoeiharde zakenman-kunstenaar. Kunst is geen baan, het is een leven. Buiten de bebaande arbeidspaden slijpt ze een eigen bedding uit, die zich volstrekt niet laat voorspellen. Een kunstacademie kan alleen formeel ‘beroepsopleiding’ zijn.
Toch heb ik, geachte heer Plasterk, goed nieuws voor u. Er is namelijk een andere oplossing, die in alle opzichten beter en eenvoudiger is. Maak geen sectorplannen, maar stap af van de financiering van kunstopleidingen op basis van instroomcijfers. Daarmee ga je tegen dat kunstacademies om hun hoofd boven water te houden noodgedwongen te veel studenten aannemen. Tel uit uw winst: strengere selectie, sterkere kunstenaars. En nadien veel minder mopperaars rond uw subsidiepot.
Christiaan Weijts



