Aaf Brandt Corstius: Maar op een gegeven moment werd mijn mistroostige gedachte weggevaagd
Als het op muziek aankomt, ben ik een fantasieloos wezen. En als het op muziek om op te joggen aankomt, ben ik nog fantasielozer.
Zo ren ik nu al maanden op de cd Dimanche à Bamako van Amadou & Maryam in sukkeldraf langs de Amsterdamse Weesperzijde. Amadou en Maryam komen uit Mali. Ze zijn getrouwd, en allebei in de vijftig. Ze dragen identieke, felgekleurde gewaden met veel gouden sieraden en maken Afrikaanse, popachtige muziek die ik verder niet kan beschrijven, want muziek valt niet te beschrijven, maar waardoor ik volledig in trance raak. Wat handig is bij vervelende klusjes, zoals hardlopen.
Klinkt als een dolle tweeling die niet per se doorbreekt naar het grote publiek, maar dat is Amadou en Maryam allang gelukt, en zo stond ik in de koude avond samen met honderden andere, vooral blanke en dertigjarige types te dringen voor Paradiso om ze live te zien.
In weerwil van alles wat over mensen uit warme landen beweerd wordt, waren Amadou en Maryam precies op tijd met hun concert begonnen. Tegen de tijd dat ik me door de drom dertigers had heengewerkt, waren ze al bij het vierde liedje. Ze stonden dicht tegen elkaar aan op het podium, beiden in een glimmend, lichtblauw gewaad en met grote gouden zonnebrillen op. Amadou had een gouden gitaar in zijn handen, waarop hij virtuoos en volgens een kenner Stevie Ray Vaughan-achtig speelde. Maryam aaide af en toe over zijn hoofd.
Net als bij mijn andere blinde idool, Stevie Wonder, besteedde ik een aanzienlijk deel van het concert aan de mistroostige gedachte: ‘Wat jammer dat ze niet kunnen zien hoe de zaal volledig uit zijn dak gaat.’
Maar op een gegeven moment werd mijn mistroostige gedachte weggevaagd, want ik raakte in trance. Nog meer dan wanneer ik in een fleecetrainingspak rondrende met Amadou en Maryam op de iPod Shuffle, want in het echt was de muziek natuurlijk nog veel mooier. Ook andere ongezellige gedachten die mij eerder die avond hadden beziggehouden, zoals ‘Waarom laten die schoften van Paradiso het publiek zo lang voor de deur wachten?’ en cynische observaties over de witte, zwetende vrouwen die hier hun Afrikaanse danslessen ten beste gaven, kwamen niet meer in mij op.
Ik was voor anderhalf uur veranderd in een oncynische, positieve vrolijkerd en danste er onbeschaamd op los. Net als de rest van de zaal. Hoe vaak komt dat nou voor, bij een groep Amsterdamse dertigers.



