Archief van berichten op 2 april 2009

Gisteren was het 1 april. Kikker in je bil. Uit dit gezegde blijkt dat rijm veel belangrijker is dan logica.

Het is waarschijnlijk de bedoeling dat je de kikker tussen twee billen visualiseert. Niet in een bil; dat kan namelijk helemaal niet, behalve in een enge medische Shock Doc op RTL 5. ‘1 april, kikker in je bil’ is derhalve een voorbeeld van zinloos rijm.

Een ander voorbeeld is ‘jammer de bammer’. Puur zinloos rijm, tenzij ‘bammer’ eigenlijk een vernederlandsing van het Amerikaanse ‘bummer’ is, dat ook ongeveer ‘jammer’ betekent. Maar dat denk ik niet. ‘Jammer de bammer’ past in de traditie van ‘helaas, pindakaas’. En ‘opperdepop’, als de boterham braaf opgegeten is. En ‘jemig de pemig’, groot gemaakt door Koos Koets (van Koot en Bie). Aju paraplu. Meneertje koekepeertje. Hoi pipeloi. De ballen, en laat ze niet vallen. Hasta la pasta. Joepie de poepie.

Zinloos rijm is iets wat vele volken aanspreekt (‘See you later, alligator’). In Amerika hebben ze er zelfs een formule voor die altijd werkt. Hij is afkomstig uit het Jiddisch en hij gaat zo. Je zegt een woord waar je graag een grapje over wilt maken omdat je vindt dat het niet zo serieus genomen moet worden. Vervolgens vervang je de eerste letter door de ‘sjm’-klank. Bijvoorbeeld. Vind je dat er te veel wordt opgehangen aan de geschiedenis? Dan kun je zeggen: “History, schmistory!”

Fran Drescher, die in de televisieserie The Nanny de rol van de nanny speelde, publiceerde ooit een autobiografisch werk waarin ze over baarmoederhalskanker schreef. Dat boek heette Cancer, schmancer. Aardig boek, briljante titel.

Ook in Frankrijk zijn ze gevoelig voor zinloos rijm. Ooit probeerde ik een vertaling van ‘helaas, pindakaas’ uit op hotelpersoneel dat mijn shampoo had kwijtgemaakt: „Nou ja. Dommage, fromage.” Ze moesten lachen. Maar misschien deden ze dat om de Nederlandse gekkin zonder al te veel problemen de deur uit te werken.

‘De strijd in Afghanistan is niet president Obama’s oorlog, het is onze oorlog. Het is onze collectieve verantwoordelijkheid”, aldus NAVO-secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer deze week.

Hoho! Weet De Hoop Scheffer niet dat de oorlog voorbij is? Heeft hij de e-mail uit het Witte Huis niet gelezen? Dan wist hij dat het voortaan om een ‘Overseas Contingency Operation’ gaat in plaats van de ‘War on Terror’. In Den Haag zei Hillary Clinton dat het „vanzelf spreekt” die term niet meer te gebruiken. Bij zijn inaugurele rede zei Obama nog: „Our nation is at war, against a far-reaching network of violence and hatred.” Twee maanden later is die oorlog voorbij. War is over, if you want it.

Dat de naamsverandering gelijktijdig met de Haagse Afghanistantop kwam, lijkt me geen toeval. Clinton overspoelde ons landje met complimenten. Ja, de VS hadden zelfs de Nederlandse aanpak in Afghanistan overgenomen. Nu nemen ze daar onze eufemistische terminologie bij. Bij ons heette de oorlog tegen terrorisme immers altijd al een ‘wederopbouwmissie’. Zoveel complimenten, daar moet iets achter zitten. Bijvoorbeeld dat de VS onze militairen graag nog wat langer in Afghanistan zien. O ja, beaamden alle verzamelde landen in Den Haag hijgerig, Nederland doet het fan-tas-tisch daar! En terwijl ze applaudisseerden, dachten ze: godzijdank, wij niet! Dat doet me denken aan een scène uit Asterix en Obelix, waarbij Romeinse vrijwilligers die tegen het dorpje van de Galliërs durven te vechten uit een rij naar voren moeten stappen. Iedereen doet één stap achteruit. En wie blijven er vooraan staan: Maxime Verhagen en Jan Peter Balkenende.

Toen Bush na 9/11 verklaarde: „These are not acts of terrorism, these are acts of war” wist hij het woedepotentieel van zijn onderdanen om te buigen tot een collectieve steun voor overzeese invallen. Om van ons oorlogssteun te krijgen, is een andere retoriek nodig. Europeanen, en vooral Nederlanders, hebben geen masculiene spierballenmentaliteit, maar een feminien verantwoordelijkheidsgevoel. Geen War dus, maar een Contingency, een ‘onvoorziene gebeurtenis’. En wie kunnen daar beter mee omgaan dan de Nederlanders?

Christiaan Weijts

Op weg naar de grote bibliotheek in Amsterdam, waar ik als incidentele vrijwilliger een middag ga knutselen met asielzoekerskinderen, kom ik een bekende tegen die ook incidenteel vrijwilligt met asielzoekerskinderen. Denk je dat je nobel bezig bent, is het volstrekt mainstream.

‘Ik leer ze goochelen’, vertelt hij, ‘want dat kun je overal ter wereld doen.’ Een diep-cynisch, maar realistisch idee. ‘Knutselen kan ook overal’, poch ik terug.

In de bibliotheek word ik gekoppeld aan een meisje dat Fariba heet. Ze is zeven. Ze zou Chinees kunnen zijn, of een eskimo, of misschien Zuid-Amerikaans. Maar ik vind het ook weer zo vervelend om meteen te gaan vragen waar ze vandaan komt.

lees verder