jan blokker: Ei koerei en de eerbied voor de Matthäus Passion

Thuis hadden we een ‘Westminster’ op de schoorsteenmantel. Hij had een simpele, heldere wijzerplaat waarin zich drie opwindgaten bevonden: voor de slinger, voor de kwart uren, en voor de hele uren.

Tegen de tijd dat de AVRO op Palmzondag (palm, palm, pasen, ei koerei) aanstalten maakte om over te schakelen naar Amsterdam waar de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach ten gehore zou worden gebracht door het Concertgebouworkest onder leiding van professor doctor Willem Mengelberg, liep mijn moeder naar de schoorsteenmantel, opende het glazen deurtje dat de klok tegen fijnstof beschermde en drukte een klein palletje, links van de drie opwindgaten, naar beneden. Het effect merkten we zodra het Toonkunstkoor het Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen aanhief: het uurwerk bleef zijn gang gaan, het slagwerk was uitgeschakeld.

Bigotterie? Nee hoor. Bach vonden we mooi, maar niet heilig. We mochten ook gerust zo nu en dan door ’m heen praten, of naar de wc gaan. Mijn vader heeft weleens twee kruiswoordpuzzels binnen één Matthäus opgelost. We aten er zelfs doorheen. Mijn moeder had altijd een royale schaal paasbroodsneden met spijs gesmeerd. Maar natuurlijk liever niet elk kwartier een westminsterjengel. Bedenk overigens dat je in die dagen veel vrijheid had. Radio was iets waar je niet eens naar hoefde te kijken.

Eén palletje voor louter Bach.

Hoe oud was ik toen ik er voor het eerst bewust bij zat, hele passages al zo’n beetje van binnen kon meeneuriën, en van sommige teksten begreep dat er iets ergs was gebeurd, zoals wanneer Petrus beseft dat hij vóór het kraaien van de haan Jezus inderdaad al drie keer heeft verraden, en beschaamd wegloopt: und weinte bitterlich? Een jaar of acht, negen denk ik.

Dankzij een goede geest die in het Concertgebouw bijna overal door mocht lopen waar Verboden Toegang stond, ben ik er op m’n elfde voor het eerst ‘live’ bij geweest – niet in de zaal, maar hoog achter de koperen stang naast het orgel, vanwaar ik tussen de toonkunstruggen door een riant uitzicht had op het hele orkest. Zo heb ik toen ook met eigen ogen de tranen zien biggelen over de wangen van concertmeester Louis Zimmermann terwijl hij Erbarme dich streek. Was die man echt verdrietig? Of deed hij maar alsof? Of moest hij van de kleine, strenge meester die in de dirigeerstoel zijn handen bijna stil had, doen alsof hij verdriet had?

En diezelfde keer keek ik in de diepte waar de cembalo met de evangelist bezig was, wat betrekkelijk veel tijd in beslag nam, en zag hoe een violist die toch even niks om handen had, ineens een pak kaarten begon te schudden en te verdelen onder ledige lotgenoten, waarna ze samen vliegensvlug aan een rondje klaverjassen begonnen. Mocht dat zo maar? Terwijl er toch iemand gekruisigd zou worden? Had niet nog maar net Buss und Reu geklonken?

Later begreep ik dat alleen echte kunstenaars ondertussen ook nog snel een partijtje kunnen toepen. Van iemand die ernaast had gestaan toen ze het zei, hoorde ik trouwens dat Jo Vincent aan het eind van een vermoeiend lijdensseizoen haar partituur had dichtgeklapt met de woorden ‘Zo, die hangt weer’. En ook dat begreep ik. Het antwoord op de vraag of je Bach bijvoorbeeld ook mag streetdancen luidt namelijk: alles mag, zolang de EO, Hind, Jim Bakkum en Peter Lusse er maar buiten blijven, en een politieke paljas niet even voor de camera een recitatiefje doet.

Terwijl mijn moeder na afloop het slagwerk van de Westminister weer op gang bracht, haalde mijn vader de sjoelbak uit de kast. Ei koerei: eerst Bach, dan sjoelbakken. Maar zelfs dat deden we met verschuldigde eerbied.