Archief van berichten op 16 april 2009

Wie, om wat voor reden dan ook, troost nodig heeft, komt in een heel nieuw taaldomein terecht. Want wat blijkt? Veel mensen die troost willen bieden, denken dat wat ze zeggen niet troostend genoeg is. Dat resulteert in de grootst mogelijke taalonzekerheid. „Ja, ik kom niet verder dan ‘kut voor je’, maar daar heb je natuurlijk niets aan.” Waarom zou je daar niets aan hebben? In strikte zin schieten woorden natuurlijk altijd te kort. Een blanco envelop met geld, daar heb je wat aan. Maar troost de envelop ook? Nee.

Ook populair onder troosters is: „Ik kan werkelijk niets bedenken wat ik voor je kan doen. Maar áls er iets is…” Het klinkt alsof de spreker bang is dat hij de indruk wekt dat hij alle problemen zo maar eventjes denkt te kunnen oplossen.

Er zijn ook troosters die positiever in het leven staan. Ooit hoorde ik deze (echt, echt, echt): „Wat klote voor je dat het uit is. Maar wat een uitdaging om nu weer alleen verder te gaan!”

Het moeilijkste troosten vindt natuurlijk plaats als er iemand dood is gegaan. Omdat dat zo verschrikkelijk moeilijk en onmogelijk is, hebben de mensen verzonnen dat je dan ‘gecondoleerd’ moet zeggen. Een vreemde, afstandelijke formule, die daarom vaak wordt ingekapseld tot zoiets: “Nou, gecondoleerd, zal ik maar zeggen.”

Jammer dat troosten niet een beetje meer pit mag hebben. Vergelijk het met feliciteren, het omgekeerde van troosten. Je hebt het ultrasaaie ‘Nou, van harte’ – dat is het ‘gecondoleerd’ van de felicitaties. Aan de andere kant van het felicitatiespectrum heb je kleuterjuffen die een vlag op het bord tekenen en er enthousiast de klassieker ‘gefeliciflapstaart!’ uitgooien.

Troosten met de energie van een kleuterjuf. Dat zou mooi zijn. Dat er bij elk levensdrama wel iemand op je af zou komen met een welgemeend ‘gecondoleflapstaart’.

Dat Geert Wilders met zijn partij naar Brussel wil, is op zich mooi. Welbeschouwd is een populist daar broodnodig. Onder druk van de globalisering dreigt er namelijk een tweedeling te ontstaan tussen Gewone Man en elite.

Europa heeft voor de Gewone Man, die zichzelf beziet binnen de kleine context (gezin, baantje, café, voetbalclub), het karakter van een onbekende, gijzelende grootmacht. De hbo- of universitair geschoolde daarentegen raakt steeds meer gewend zichzelf in de grote context te bezien: hij werkt in bedrijven die internationaal opereren, zat tijdens de studietijd in het buitenland, en heeft er vrienden of kennissen. Voor hem is Europa een verrijking. Bij de Gewone Man roept dit de overtuiging op dat Europa een hobby is van dat upper middleclass-wereldje. Dat vaart er kennelijk wel bij, en, zo redeneert hij, dat zal wel ten koste gaan van de Gewone Man. Er is een populist nodig om de Gewone Man te betrekken bij de grote context. Iemand die hem uitlegt dat als wij geen EU-lid waren, onze economie nu IJslands was, onze gulden waardelozer dan het pond. Dat zijn bakje Douwe Egberts koffie al lang gezet wordt door de Amerikaanse Sara Lee Corporation.

Die populist is vooral nodig omdat zittende politici zo provinciaals zijn, en bijvoorbeeld voorspiegelen dat ons ‘stimuleringspakket’ werkelijk invloed heeft, terwijl het niet meer kan zijn dan een windscherm in de mondiale storm.

Die populist kan uitleggen dat Europa economisch succesvol is maar democratisch nog onvolwassen. Juist om de elite-achterkamertjes en onderonsjes van de EU te openen, heeft Brussel een echte, betrokken volksvertegenwoordiging nodig.

Die populist moet Europa niet van binnenuit willen opblazen als een zelfmoordterrorist, maar juist aan de mensen teruggeven: er transparantie en democratische controle afdwingen.

Die populist heeft bestaan. Pim Fortuyn schreef in Zielloos Europa (1997): „Ik houd van Europa, ik houd van zijn veelheid aan volkeren, culturen, landschappen, weersomstandigheden, talen en mensen. Ik haat soms de euro-elite in zijn verwaten achteloosheid. Kortom, ik wil een Europa van de mensen, van de menselijke maat. Een Europa van u en van mij!”

Christiaan Weijts

Dit is de laatste keer dat ik een column over de iPhone schrijf. Mijn iPhone-obsessie is namelijk voorbij. Ik hoef geen iPhone meer.

Dat komt niet zozeer door de iPhone zelf, al hoor ik alleen maar griezelverhalen over het slechte bereik, het onhandige gedoe met het touchscreen waarmee je wang de telefoon uitzet, de waanzinnige beheersing die je over je vingertoppen moet hebben om sms’jes te sturen en verkopers die ‘doe het niet’ schreeuwen als je er een wil bestellen.

Mijn afkeer komt vooral door de gebruikers van de iPhone. Dat zijn koppige, domme mensen, die niet willen toegeven dat hun gadget eigenlijk niet werkt. En bij die mensen wil ik niet horen.

lees verder