Het parlementair onderzoek naar de oorzaken van de kredietcrisis in Nederland is zoiets als medisch onderzoek naar de oorzaken van ziekten, of wetenschappelijk onderzoek naar de oorzaken van het hebben van interesses, of demografisch onderzoek naar de oorzaken van files, of klimatologisch onderzoek naar de oorzaken van een droge mond.
Vooral doen hoor, zulke onderzoeken, maar is het niet een beetje algemeen allemaal? Wat voor antwoorden verwacht je wanneer dergelijke mensen dergelijke kwesties onderzoeken? Misschien, in omgekeerde volgorde: 1. Warm weer maakt dorstig. 2. Hoe meer mensen op de weg, hoe groter de kans op file. 3. Nieuwsgierigheid is een menselijke eigenschap. 4. Nachtrust is gezond. 5. Nederland maakt deel uit van de wereld.
Voor het vinden van dat laatste antwoord heeft de Tweede Kamer een half jaar uitgetrokken. Eerst kijken waar Nederland ligt, dan vaststellen dat het maar een klein landje is, vervolgens ontdekken dat de buitenwereld er invloed op heeft, uitvinden wat daar allemaal heeft gespeeld, en dan concluderen dat we niets hadden kunnen doen. Zo bezien is een half jaar best weinig.
De tweede helft van het onderzoek, dat opnieuw maar een half jaar mag duren, analyseert het optreden van het kabinet tijdens de crisis. Nu lijkt me dat wel nuttig, maar zaten we niet midden in die crisis? En is er dan in plaats van tijd besteden aan bespiegelingen over de prestaties tot nu toe, niet veel meer behoefte aan discussie over de maatregelen die nog genomen moeten worden? Ik bedoel, sinds wanneer bestaat er enigheid over de aanpak van de Grote Depressie in de jaren dertig?
Het is best een beetje zot. Terwijl de gemiddelde burger is overspoeld met informatie over de oorzaken van de crisis, besluit het parlement er zomaar opeens een knipselmap over aan te leggen. Alsof het ook in de gaten heeft dat er al heel lang iets speelt in de wereld. Iets waar wij ons al van bewust waren.
‘Wat een rotstreek. Is het crisis? Hoezo wisten wíj dat niet? Dat zoeken we uit!’
Floris-Jan van Luyn



