Onlangs in het wild gehoord: „Jaaaa, asperges! Daar ben ik wel van hoor!”
En ook: „Nee, ik ben niet zo van groepsreizen.”
Je kunt dus ergens ‘van’ zijn. Bedoeld wordt dat je iets leuk/lekker/fijn/goed/prettig vindt, maar blijkbaar is het te saai om dat gewoon te benoemen. ‘Ik vind groepsreizen niet leuk’ klinkt ook wat neurotischer dan ‘ik ben niet van groepsreizen’. Alsof je echt een probleem hebt, terwijl problemen, daar ben je juist helemaal niet van.
Ergens wel of niet van zijn zegt meer iets over hoe je nu eenmaal bent. Over je karakter. Aan je karakter kun je niets doen, en je kunt er dus ook niet op aangevallen worden. „Ik ben best wel van de McDonald’s, maar dat is persoonlijk hoor.” (Zeggen dat iets persoonlijk is, is ook een effectieve manier om jezelf onkwetsbaar te maken. Je hebt het namelijk alleen maar over je eigen knotsgekke individualistische ikje.)
Letterlijk geïnterpreteerd klinkt ‘ergens van zijn’ raar. Alsof je iemands eigendom bent. En dan is die iemand ook nog eens niet een persoon. „Ik ben héél erg van de gezellige alpenhut!” Dat is een normale uitspraak.
Vermoedelijk is het ‘zijn van’ bedacht door mensen die overal graag een clubgevoel op willen projecteren. ‘Ergens van zijn’ zou dan een soort afkorting zijn van ‘ergens lid van zijn’. Ik herinner me van vroeger wel dat er kinderen waren die zeiden: „Ik ben van de Donald Duck.” Dat betekende dat je erop geabonneerd was, en dus tot een (niet zo heel selecte) groep uitverkorenen behoorde.
Dat oprechte clubgevoel is nu uitgebreid naar de meest abstracte begrippen. „Ik ben gewoon heel erg van het lekker in mijn eentje op de bank naar de tv kijken met een kopje thee erbij.” „O ja? Daar ben ik ook héél erg van!” En ziehier: een nieuwe club is geboren.
Vandaag verschijnt het eerste boek van Paulien Cornelisse: ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ Uitgeverij Contact, 12,50 euro.



