De uitgever heeft voor dit artikel geen publicatierecht
Archief van berichten op 24 april 2009
Eerst las ik dat op het oorlogsmonument van Wehl (gemeente Doetinchem) naast de dode Wehlenaren de namen zouden worden bijgebeiteld van Duitse militairen die in die buurt waren gesneuveld. De plaatselijke Oudheidkundige Vereniging had het voorgesteld. ‘Duitse soldaten hebben er ook niet om gevraagd om vóór hun twintigste te sterven’, had ze geredeneerd. En de meeste bewoners zouden het eens zijn geweest met ‘dit gebaar van vergeving’.
Een week later las ik: ‘Er komen toch géén namen van Duitse oorlogsslachtoffers op het oorlogsmonument van het Achterhoekse dorp Wehl. Volgens de gemeente Doetinchem lag het voorstel van de Oudheidkundige Vereniging van Wehl erg gevoelig in de samenleving.’
Vorige zomer, ongeveer een jaar geleden, liep ik op een vrijdagmiddag een beetje loos rond in muziekwinkel Concerto, in de Utrechtsestraat in Amsterdam. Vanachter een stapel dvd’s riep iemand luid mijn naam. Het was Martin Bril. ‘Vrijdagmiddag hè’, zei hij. ‘Dan hebben we niks te doen. Dan gaan we winkelen.’
Dat ‘we’ vond ik vleiend. Het impliceerde dat we hetzelfde beroep hadden: elke dag een krantenstukje schrijven, behalve op vrijdag en zaterdag. We hadden ook wel hetzelfde beroep, maar ik zag Martin Bril als De Columnist, en mezelf als een columnist. Ik las hem al jaren, lang voordat ik zelf stukjes ging schrijven. Met mijn huisgenoot had ik als twintiger een abonnement op de Volkskrant, en elke ochtend las ik Bril. Alleen Bril. Daarna legde ik de krant altijd weg.



