Aaf Brandt Corstius: Als je iemand jarenlang elke dag leest, denk je dat je hem goed kent

Vorige zomer, ongeveer een jaar geleden, liep ik op een vrijdagmiddag een beetje loos rond in muziekwinkel Concerto, in de Utrechtsestraat in Amsterdam. Vanachter een stapel dvd’s riep iemand luid mijn naam. Het was Martin Bril. ‘Vrijdagmiddag hè’, zei hij. ‘Dan hebben we niks te doen. Dan gaan we winkelen.’

Dat ‘we’ vond ik vleiend. Het impliceerde dat we hetzelfde beroep hadden: elke dag een krantenstukje schrijven, behalve op vrijdag en zaterdag. We hadden ook wel hetzelfde beroep, maar ik zag Martin Bril als De Columnist, en mezelf als een columnist. Ik las hem al jaren, lang voordat ik zelf stukjes ging schrijven. Met mijn huisgenoot had ik als twintiger een abonnement op de Volkskrant, en elke ochtend las ik Bril. Alleen Bril. Daarna legde ik de krant altijd weg.

‘Kom, we gaan wat drinken’, zei Martin. Eigenlijk kende ik hem helemaal niet goed, maar als je iemand jarenlang elke dag leest, denk je dat je hem goed kent.

Oké, we waren weleens samen op stap geweest voor een stukje. Hij had me toen getrakteerd op een enorme lunch en ik mocht meerijden in zijn grote auto. Toen het verkeer hem op de terugweg niet genoeg opschoot en onze deadlines dreigden, reed hij keihard over de vluchtstrook terug naar Amsterdam, rokend, scheldend en lurkend aan de vele flesjes Spa Blauw die er in zijn auto lagen.

Als dagelijks columnist heb je ongeveer vijf collega’s. Je zou denken dat er dan haat en nijd ontstaat, maar bij Martin was dat het tegenovergestelde. Hij sms’te soms dat hij mijn stukje van die dag leuk vond, zei dat ik voor een hele goede krant schreef, en deed goeiig alsof hij daar jaloers op was.

We gingen dus wat drinken, op een terras. Hij bestelde rosé en ik bestelde muntthee. Hij moest ongeveer het halve terras begroeten, en toen praatten we even. Hij was op weg naar de dokter, vertelde hij, want hij had verschrikkelijke pijn bij zijn schouder.

Even later staken we de Utrechtsestraat over en werden we bijna geschept door een tram. ‘Dat zou wat geweest zijn’, lachte Martin met zijn rasperige lach. ‘Als we hier allebei tegelijk doodgereden waren.’ Ik was weer vereerd door dat ‘we’.

Een paar dagen later hoorde ik dat hij opnieuw kanker had. Nu, een jaar later, is hij dood door iets wat duizend keer erger is dan een tram, en ben ik mijn aardigste en beste collega kwijt.