jan blokker: De oudheidkundigen van het Gelderse Wehl

Eerst las ik dat op het oorlogsmonument van Wehl (gemeente Doetinchem) naast de dode Wehlenaren de namen zouden worden bijgebeiteld van Duitse militairen die in die buurt waren gesneuveld. De plaatselijke Oudheidkundige Vereniging had het voorgesteld. ‘Duitse soldaten hebben er ook niet om gevraagd om vóór hun twintigste te sterven’, had ze geredeneerd. En de meeste bewoners zouden het eens zijn geweest met ‘dit gebaar van vergeving’.

Een week later las ik: ‘Er komen toch géén namen van Duitse oorlogsslachtoffers op het oorlogsmonument van het Achterhoekse dorp Wehl. Volgens de gemeente Doetinchem lag het voorstel van de Oudheidkundige Vereniging van Wehl erg gevoelig in de samenleving.’

Van het eerste bericht keek ik even op. Van het tweede niet. De Wehlse Vereniging had zo’n beetje gegokt hoeveel inwoners die extra namen waarschijnlijk niks kon schelen, en ze had nooit gemerkt dat de kwestie hier en daar erg gevoelig lag.

Des te slordiger om juist in deze tijd van het jaar dat idee te lanceren. Iedereen die iets van het verleden (zeg maar van de oudheid) kent, weet dat mensen die regelrecht of via voorouders verbonden zijn met oorlogsslachtoffers, in april bevangen raken door een overgevoelige somberheid. Mei komt er aan. De zon schijnt nu al tot ver in de avond. Straks fluiten de vogels om acht uur dwars door twee minuten stadsstilte heen. Ook als je nergens aan wil denken, word je gedwongen aan de dood te denken: de koningin legt een krans van rouw. Niemand durft te lachen. Het is ieders maatschappelijke plicht om herinneringen op te halen aan hen die het leven lieten, opdat wij niet vergeten. En dan gaan we verdomme toch niet, al was het alleen maar in Wehl, de vijand herdenken, al was hij toen nog geen twintig, en al had hij net zo weinig zin om dood te gaan als een twintigjarige Wehlenaar?

De Federatieve Raad van het Voormalig Verzet wil anders ook een streep onder de vete zetten!, zullen de Oudheidkundigen tegenwerpen. Ja, allicht. En die heffen zichzelf niet op omdat de leden op hun ouwe dag ineens naar een gebaar van vergeving verlangen, maar omdat ze intussen allemaal minstens tachtig zijn geworden en de moffen tegen wie ze verzet pleegden ook al nauwelijks meer leven. Als er nu nog rampzaligheden bestreden moeten worden, kun je het verzet beter overlaten aan frisse jongelui dan aan bejaarden die op 5 mei 1945 al wisten dat ze voormalig waren geworden. Dat zagen ze heel goed. Want zo gaan de dingen.

Een gebaar van vergeving. De koketterie druppelt er af. Het is natuurlijk een ontzettend vrijblijvend gebaar, met die vage, zelfvoldane verwijzing naar de wang uit Lucas 6:29. Ik vind het prachtig als mensen de christelijke beginselen zijn toegedaan, maar voeg dan ook de daad bij het woord als het moment er om vraagt. Dan moet je de tegenstander niet 69 jaar laten wachten tot hij eindelijk vergiffenis krijgt, dan had je, zodra je op 10 mei 1940 door de kogel van een 20-jarig rotkind was getroffen, het gezicht negentig graden moeten draaien en moeten roepen: ‘Dit was de linker. Nu de rechter nog!’

Heb uw vijanden lief. Akkoord. Maar Duitsers niet op 4 en 5 mei. Dan gedenken we namelijk, onder mekaar, een vijand die we haatten, wat ons toen sierde, en die telkens een dreun terug kon krijgen als hij ons op de ene wang had geslagen. ‘Christelijkheid houdt in den oorlog op’, zei Colijn al toen hij in 1894 tegen de Lombokkers moest. En zelf ben ik ook pas op 6 mei eventueel weer bereid voor Duitsers een gebaar van vergeving te maken.

Gelderse oudheidkundigen moeten afblijven van eigentijdse monumenten.