Nederlandse politici zijn altijd verrukt als ze in de gratie vallen van de Verenigde Staten. Of het nu gaat om een goede of een slechte zaak, als Amerika hen over de bol aait, zijn ze het bijna overal mee eens.
Dat is onhandig, want ook al hebben we lief en leed gedeeld, de sterke schouders van Amerika horen bij een hoofd dat nu eenmaal anders denkt dan dat van ons. Daarom is de trots van, zeg minister Verhagen, zij aan zij met Clinton, net zoiets als de trots van Peter R. de Vries op zijn Emmy Award voor zijn misdaadprogramma. Wat het zegt is dat zij in de smaak vallen bij een bepaald Amerikaans publiek, en dat is niet altijd iets om trots op te zijn.
Dat in de smaak vallen komt wel vaker voor in de politiek. Neem nou die kwestie vorige week waardoor Verhagen naast Clinton belandde. Nederland was het roerend met de Verenigde Staten eens dat het verstandiger was weg te blijven bij de VN-conferentie tegen racisme. De conferentie, praatte Nederland de Verenigde Staten na, werd gekaapt door landen die het als een platform tegen Israël gebruikten. En dus liet Nederland een gelegenheid voorbijgaan om over een belangrijk onderwerp rond te tafel te zitten.
Nederland had zich bij die beslissing laten meeslepen door de Amerikaanse politiek, waar iedere vorm van kritiek op Israël met kracht wordt bestreden. In de Amerikaanse discussie over Israëls houding jegens de Palestijnen heeft de rede amper vat, dat staat een machtige Israëllobby gewoon niet toe. Kritisch zijn over Israël in Amerika is dan ook net zoiets als praten over onafhankelijkheid voor Tibet in China. De historische wetten van het land verbieden dat. En zo blijven oplossingen ver weg. Dan gaat het er niet meer om of Israël, ondanks zijn historisch recht, onrecht preekt jegens anderen met een ander historisch recht.
Dat Nederland achter zulke ideeën aanhobbelt is ongepast. Want bij zaken die er echt toe doen, zou smaak geen enkele rol mogen spelen.



