jan blokker: Waarom Cees Fasseur niet naar het defilé gaat

Cees Fasseur gaat niet naar het volksdefilé dat koningin Beatrix donderdag op het voorplein van paleis Het Loo zal afnemen.

‘Defilés pleeg ik niet bij te wonen’, liet de Jeroen Snel onder de historici nuffig weten. ‘Ongetwijfeld zullen de deelnemers worden gemaand snel door te lopen.’

Merkwaardig genoeg meldde hij zijn afzegging niet aan de organiserende vorstin, maar per brief aan haar moeder, die op 30 april 100 jaar zou zijn geworden als zij niet in 2004 was overleden. De brief werd afgelopen zaterdag gepubliceerd in NRC Weekblad.

Waarom eigenlijk een open brief aan Juliana, in royale opmaak en over vijf pagina’s rijk geïllustreerd, zodat de abonnee kan meegenieten? Fasseur had blijkens een dik boek, dat pas vorig jaar verscheen en waarin alles al verteld was, niet zo’n erg hoge dunk van de vrouw die van 1948 tot 1980 onze koningin was. Hij vond haar weliswaar een goed mens, maar verder een nogal gestoord, weinig glamoureus en zonder veel smaak gekleed ‘burgerlijk vrouwspersoon’ (zoals in Van Dale het oneerbiedige begrip burgertrut wordt omschreven).

De brief begint ook meteen met een paar katten. ‘U dreigde zelfs met aftreden!’ memoreert de goed ingelichte geschiedschrijver: Juliana wilde zich bij haar aantreden immers met alle geweld mevrouw, en geen majesteit laten noemen, maar Wilhelmina en Bernhard waren daar faliekant tegen. Je hoort Fasseur denken: je bent toch haast van lotje getikt, als je daarvoor afstand van de troon wilt doen? En dan die defilés waar je tot horreur van elke zichzelf respecterende historicus door lakeien over het gazon wordt gejaagd!

Heeft de auteur van Juliana & Bernhard, het verhaal van een huwelijk zijn brief misschien ook bedoeld om het beeld van het voormalige staatshoofd een beetje te flatteren omdat hij haar in dat boek als een wat labiele zielenpoot had neergezet? Ik dacht even dat het die kant op ging toen hij opsomde dat ze een dominante moeder had gehad, later de hartsvriendin werd van een malicieuze kwakzalfster, en intussen getrouwd was met een egocentrische man. Alsof Juliana die dingen niet zelf allang wist. Maar dan neemt de brief een wendinkje. ‘Het boek dat ik vorig jaar aan uw huwelijk wijdde’, lezen we, ‘laat over de tekortkomingen van uw man geen twijfel bestaan. Ik kan dan ook slechts mijn schouders ophalen wanneer mij – vooral uit de hoek van strijdbare lezeressen – verweten wordt dat ik hem te gunstig heb afgeschilderd’.

Zou het Juliana, die in de hemel vermoedelijk nog niet eens aan dat boek is toe gekomen, interesseren dat op aarde een enigszins in z’n wiek geschoten professor slechts zijn schouders (geen andere lichaamsdelen) heeft opgehaald over kritische lezeressen? Ik denk dat Fasseur dat inderdaad denkt.

De brief is weinig meer dan een op een achternamiddag haastig geschreven uittreksel van dat boek. Af en toe gunt Fasseur de geadresseerde een complimentje, en af en toe (ofschoon hij zich niet wil laten leiden ‘door theorieën die ik als dilettant op dat terrein aan anderen ontleen’) shopt hij in de psychologie, om haar gebreken te duiden. Maar het laatste woord blijft: ‘Uw regering was geen succesverhaal’.

Waarom eigenlijk niet? Hoe worden zulke oordelen in de historiografie precies gemeten, gewogen of becijferd? Los daarvan heb je altijd nog het handige antieke advies dat zegt: de mortuis nil nisi bene. Zeker als je er persoonlijk mee wilt corresponderen.

Zou het initiatief zijn uitgegaan van NRC Weekblad? Dan had de redactie het excerpt natuurlijk moeilijk kunnen weigeren – de foto’s lagen al klaar. Of was het op de krant bedacht, en leek Fasseur de aangewezen Jeroen Snel onder de geleerde royaltywatchers?

Leuk intussen om te merken dat byzantinisme ook in z’n tegenovergestelde gedaante op byzantinisme blijft lijken.