Archief van berichten op 30 april 2009

In Amsterdam staan de stoepen weken voor Koninginnedag al vol. Met plakband of met krijt, overal zie je het woord ‘bezet’. Dat is geen neutrale mededeling, want de plek in kwestie is natuurlijk nog niet letterlijk bezet. Het is meer een soort verordening, maar dan vanuit de burgers zelf. Omdat er geen bordje bij staat met iets cryptisch over ‘art. 6 Wetb. v. strafr.’ hoeft niemand zich eraan te houden. Toch hoor je niet vaak dat iemand een plek bezet heeft verklaard, en dat daar doodleuk iemand anders is gaan staan. Bezet is bezet.

Zo’n spontane verordening is vrij uniek. Er bestaan natuurlijk talloze pogingen tot verordeningen. ‘Hier a.u.b. geen fietsen plaatsen!’ is er zo een. Maar die is a) niet effectief, en b) klinkt de wanhoop er te veel in door. Hetzelfde geldt voor ‘Laat u uw hond ook in uw eigen tuin kakken?’ en ‘Een geveltuin is geen vuilnisbak!’ Je ziet de machteloze woede van de bewoner bij de zoveelste drol naast de hortensia, het besluit er nu echt wat aan te doen, waarna met trillende viltstift een papier wordt beschreven met veel onderstrepingen, accenten en uitroeptekens. ‘Nee! Wij willen géén reclame! Dank u!!!’

‘Bezet’ is daarentegen neutraal. En effectief.

Toch zijn er ook mensen die dat ‘bezet’ wat agressief, wat ’40-’45 vinden klinken. Zeker zo vlak voor 4 mei heeft die hele ‘bezet is bezet’-mentaliteit iets fouts. In de keurige wijk Amsterdam-Zuid zag ik keurige kleurenprintjes met een foto van een keurige familie. Die printjes waren geplakt op het muurtje voor een huis. Boven de foto stond in een vrolijk lettertype: ‘Hier vieren wij Koninginnedag!’ Alsof Koninginnedag in Amsterdam-Zuid een feest is, in plaats van een territoriumstrijd, met als inzet de oude kruimeldief van oma en collectie Snoecksen van oom Gerard. Handel in bezettingstijd. Je moet er wat van maken.

Overal waar oranje vlaggetjes wapperen, moet Rita Verdonk in beeld zien te komen. Koninginnedag betekent dan ook: campagne voeren voor Trots Op Nederland. Zondag trok Verdonk naar de ambtswoning van burgemeester Job Cohen, om te protesteren tegen de maatregel dat feestvierders in Amsterdam maar één biertje bij zich mogen hebben op Koninginnedag.

In plaats daarvan, schrijft ze in een ‘brandbrief’, moet Cohen „het tuig bij het minste of geringste oppakken en opsluiten”, 10.000 boete euro geven en vijf jaar lang uitsluiten van feestjes in de stad.

„Terwijl Verdonk de brief bij Cohen bezorgde, werd ze betrapt door een cameraploeg van de lokale Amsterdamse zender AT5,” zo meldt Rita’s weblog. Betrapt? Bij AT5 vertellen ze mij dat Rita’s publiciteitsman Edward Verheij zaterdag zelf de redactie had gebeld. Betrapt! Dat is haast net zo erg als betrapt worden met twee biertjes op zak. Laat ze liever ‘het tuig’ betrappen, foetert Verdonk, die dit ‘tuig’ definieert als: mensen die iemand in elkaar meppen wegens „seksuele [sic] geaardheid” of hulpverleners en buschauffeurs bedreigen. Zelfs Cohen heeft toch toegegeven dat dit doorgaans Marokkaanse jongens zijn?

Niks over het opblaaskronentuig dat stomdronken tegen de monumentale gevels pist. Nee, die mensen hebben volgens Rita recht op „een uitzinnige en onbezorgde Koninginnedag.”

Cohens één-biertjes-verordening is uiteraard bedoeld om agenten een aanhoudingsgrond te geven bij ongeregeldheden. Juist om onruststokers makkelijker op te kunnen pakken.

Daar kun je terecht vraagtekens bij plaatsen. Waarom ligt de grens niet, net als in voorgaande jaren, bij twéé biertjes? Hoe verzeker je dat agenten de regel soepel en billijk toepassen?

In plaats daarvan komt Rita met een boete- en huisarrestvoorstel dat zowel juridisch als praktisch volstrekt onhaalbaar en onzinnig is en dat bovendien voor rechtsongelijkheid pleit tussen allochtonen en autochtonen.

Rita’s brandbrief is helemaal niet aan Cohen gericht, maar aan haar xenofobe achterban. Rita is niet betrapt maar voert doortrapt campagne. Zijn er echt mensen zijn die daar nog in trappen?

Christiaan Weijts

Mijn levendigste jeugdherinneringen spelen zich af op Koninginnedag, die koortsachtige feestdag waarop je voor één keer in het jaar iets kon doen wat verder nooit kon: grof geld verdienen.

Vriendinnen van de lagere school konden dat heel goed. Ze waren allemaal viool- of celloprotegés, dus ze liepen vanzelf binnen als ze achteloos hun etudes speelden op de hoek van de Amsterdamse Beethovenstraat, met een leuke lentejurk aan en hun haar in een serene vioolvlecht.

Maar ik had geen talent voor viool, dus ik was veroordeeld tot het doosje oude boeken dat mijn vader elk jaar uit zijn kast destilleerde en aan ons, zijn drie kinderen, meegaf om te verkopen.

lees verder