Aaf Brandt Corstius: Met een leuke lentejurk aan en hun haar in een serene vioolvlecht
Mijn levendigste jeugdherinneringen spelen zich af op Koninginnedag, die koortsachtige feestdag waarop je voor één keer in het jaar iets kon doen wat verder nooit kon: grof geld verdienen.
Vriendinnen van de lagere school konden dat heel goed. Ze waren allemaal viool- of celloprotegés, dus ze liepen vanzelf binnen als ze achteloos hun etudes speelden op de hoek van de Amsterdamse Beethovenstraat, met een leuke lentejurk aan en hun haar in een serene vioolvlecht.
Maar ik had geen talent voor viool, dus ik was veroordeeld tot het doosje oude boeken dat mijn vader elk jaar uit zijn kast destilleerde en aan ons, zijn drie kinderen, meegaf om te verkopen.
Boeken, dat vonden wij natuurlijk niks. Wat een slome koopwaar. Wie wilde er nou een verzameling essays over de filmtheorie van Eisenstein? In een vergeelde pocket? In het Russisch? Dus maakten we elk jaar zelf een alternatief businessplan, het ene jaar succesvoller dan het andere.
Zo overtuigden we mijn broers vriendje H., die, ondanks het feit dat hij honderd procent IJslands was, waanzinnig goed kon buikdansen, ervan om in een harembroek op straat te dansen, waarbij wij rondgingen met de pet. H. stemde ermee in dat we de opbrengsten met zijn vieren zouden delen. Dit was een goede deal.
Een ander jaar zagen we hoe andere mensen binnenliepen met een dobbelspel. Wij maakten thuis zelf snel een dobbelbord en verzonnen een nieuwe naam voor het spel, om ons te onderscheiden van de concurrentie: ‘Zet In En Win’. Maar hoe enthousiast en luid wij ook Zet In En Win schreeuwden, de mensen kwamen niet bij ons dobbelen.
Ook de handel in brokstukken van de Berlijnse muur, die mijn broer, toen al vol historisch en zakelijk besef, had bedacht, liep niet. De stenen kwamen ook niet van de Muur zelf, maar uit de Beethovenstraat, die dat jaar opgebroken was. De zelfgemaakte certificaten van echtheid in het priegelhandschrift van mijn broer, hielpen ook niet.
Het enige jaar dat de zaken goed liepen, was toen wij op eigen initiatief servies uit de keukenkast hadden gehaald om te verkopen. Zilveren bestek, kristallen glazen, zoutvaatjes van fijngeslepen glas, dat werk. Dat gebruiken we allemaal toch nooit, redeneerden we, dus dat konden we wel verkopen. We stelden een eenheidsprijs in van tien cent per stuk. Een chique bejaarde vrouw kocht de hele collectie op. Binnen een minuut waren we klaar, die dag.



