Archief van berichten op 7 mei 2009

Als je duizend keer hetzelfde nieuws achter elkaar ziet, zoals vorige week donderdag tijdens de verslaggeving over Koninginnedag, dan ga je minutieus letten op hóe alles wordt gezegd.

Een verslaggever die je normaal alleen op de radio hoort, was nu ineens te gast bij het Journaal. Hij zag er natuurlijk radicaal anders uit dan we allemaal hadden gedacht. Jeroen Overbeek, de nieuwslezer van dienst, had zich de radioverslaggever duidelijk ook anders voorgesteld, hij keek aangeslagen.

De radioverslaggever was van dichtbij bij het drama aanwezig geweest. Wat hij zei, zal ongetwijfeld iets te maken hebben gehad met de shock waarin hij verkeerde. Er was geen autocue, en hij probeerde zo eerlijk en beeldend mogelijk te vertellen wat hij in Apeldoorn had gezien. Midden in zijn relaas kwam ineens het volgende voorbij: „Daar, op de grond, lag een keurige negermevrouw…”

Dat is zo’n uitdrukking waarvan je zeker weet dat je hem verkeerd verstaan hebt. Maar dat nieuwsbulletin werd dus hele middag herhaald, en daar kwam de keurige negermevrouw weer voorbij, en nog eens, en nog eens.

‘Keurige negermevrouw’, hoeveel aannames zitten daar in? Waarom moet dat ‘keurig’ erbij gezegd worden? Zou een negermevrouw, zonder bijvoeglijk naamwoord, niet keurig zijn? En dat negermevrouw zelf… dat kan toch ook totaal niet? In de discussies die volgden op dit fragment kreeg ik van verschillende mensen te horen dat ‘neger’ wel kan, maar niet als het gebruikt wordt door een witte verslaggever. ‘Negermevrouw’ werd in ieder geval algemeen verschrikkelijk gevonden.

De vraag drong zich op: zou iedereen in de positie van de radioverslaggever zich een ‘keurige negermevrouw’ kunnen laten ontvallen? Vanwege de schrik, en de stress van het journaal waar je ineens iets coherents moet vertellen?

Of zegt het feit dat je het op een ongecensureerd moment ineens over een keurige negermevrouw hebt, dan toch iets over hoe je denkt over, tja, hoe zal ik het zeggen, zwarte mensen? Ik kwam er niet goed uit.

‘Er zijn zelfs mensen die hun kinderen op een matras met metaal erin laten slapen. Hoe kúnnen ze zoiets doen?” De babyspullenverkoper staart me verbouwereerd aan. „Ik bedoel: dat magnetisme! Terwijl die kinderen zó open zijn tegenwoordig! Nee, jullie moeten een duolatexmatrasje hebben.”

Geen betere prooi voor commercie dan aanstaande ouders. Die willen immers het beste voor hun kind, zijn onbekend met de nieuwe branche en zullen het zichzelf nooit vergeven als de aanschaf van ondeugdelijk materieel tot gruwelijke taferelen leidt.

Nadat ik besluit dat mijn kind dus vanaf een ‘duolatexje’ de wereld gaat verkennen, spreek ik ervaren ouders die me haast uitlachen. Volgens de een heb je geen ledikant nodig, want een baby slaapt „gewoon bij jullie in bed”. Een ander zweert bij een ordinair reiswiegje. Bij de keuze van alle andere babyartikelen herhaalt dit orkest van adviezen en opinies zich.

Inmiddels herken ik hier een universeel dilemma in. De overheid zou het zich nooit vergeven hebben als Beatrix of Máxima tijdens de 4 meiherdenking op de Dam beschoten was. Om dezelfde reden worden telkens na één telefoontje scholen en winkelcentra ontruimd. Hoeveel geld hebben beveiligingsbedrijven al verdiend aan 30 april, 6 mei, 2 november en 11 september?

Kennis is macht, schreef Francis Bacon, maar kennis is vooral: angst en verantwoordelijkheid. Wie eenmaal wéét dat matrasmetaal, zwarte Suzuki’s, en achtergelaten reiskoffers rampen kunnen ontketenen, is bereid veel te betalen om het noodlot af te wenden.

Commerciële partijen hebben er belang bij de angst te stimuleren, totdat je niet meer weet wanneer die overtrokken is. Ik woon in een ambassadebuurt. Rond de speeltuintjes zie ik veel Amerikaanse kindjes fietsen, ingepakt met helmen en kniebeschermers, als kleine hemofiliepatiëntjes. Die ouders kun je uitlachen, maar wat als jij je kind zonder helm laat fietsen en hij hersenletsel oploopt? Die kans is… tja, even klein als dat je met Koninginnedag door een auto geschept wordt.

Als je eenmaal weet dat dit kan, zul je die kennis moeten blokkeren. Als je tenminste ontspannen en helmloos wilt leven.

Christiaan Weijts

Als je geen natuurlijke interesse hebt in een onderwerp, en er heel ver vanaf staat, kun je er soms een heldere visie op hebben. Juist omdat je het niet aanhoudend volgt.

Dat heb ik met voetbal. Ik heb, volgens mij, een scherp oog voor de mentale ontwikkeling van Marco van Basten door de jaren heen. Juist omdat ik hem door de jaren heen eigenlijk maar twee keer heb opgemerkt. De eerste keer dat ik Marco opmerkte, was ik nog jong, en hij ook, en toen was hij een blakende, succesvolle voetbalgod. De tweede keer dat ik hem opmerkte, nu, in 2009, ben ik oud, en hij ook, en is hij veranderd in een rimpelige, kalende trainer met burn-out written all over his face.

lees verder