Vroeger, toen de mensen nog spreekwoorden gebruikten en daar dan diepzinnig bij keken, bijvoorbeeld: „Pas als het kalf verdronken is dempt men de put,” werd er ook nog wel eens gezegd: „‘Te’ is nooit goed, behalve in tevreden.” Dat was toen ook echt zo, want een taart kon lekker zoet zijn, maar als hij ‘te zoet’ was, dan was hij eigenlijk vies.
Inmiddels is ‘te’ natuurlijk allang niet meer vooral negatief. „We aten tapas in zo’n Spaans café’tje, echt te lekker!” Waarbij de nadruk op ‘te’ valt. „Pinkpop was gewoon te leuk. En mijn tent was echt te ranzig want er had iemand op gekotst. Lachen man.”
Voor elk bijvoegelijk naamwoord kan eigenlijk ‘te’ gezet worden, zodat het woord aan kracht wint.
Neem ‘bizar’. Vroeger was bizar een extreem woord dat vooral van toepassing was op dingen waarvan je het bestaan bijna niet geloofde. Een seriemoordenaar die zijn slachtoffers in stukjes hakte en dan verwerkte in een vleespastei die hij aan de naburige traiteur verkocht. Dat was bizar.
Nu is het ook al bizar als het de hele dag heel erg warm is. Of als een tentamen verzet wordt. Om bizar toch weer een beetje kracht te geven, plak je er dus ‘te’ voor.
Nog steeds heb je dan niet de oorspronkelijke betekenis van bizar. Maar het is bijvoorbeeld goed te gebruiken in een zin als deze: „Hij heeft als hobby papiermachéën. Te. Bizar.”
Precies dezelfde soort mensen die ‘te bizar’ zeggen, kunnen ook zeggen: „Hoe bizar is dát.” De ‘Hoe…dat’-constructie (zoals hij bij dezen heet) heeft de laatste vijf jaar een ongekende opmars gemaakt, wederom met alle mogelijke bijvoeglijke naamwoorden: „Hoe vet is dát.” Let op, er wordt nauwelijks een vraagteken uitgesproken. Het is dan ook niet de bedoeling dat er iemand antwoordt, want iedereen weet precies hoe vet het is: „Te vet.”



