Aaf Brandt Corstius: Op de manier van Leo en Tineke Vroman

Ik ben zo’n idioot die in de eeuwige liefde gelooft, al zie ik er weinig goede voorbeelden van in mijn eigen omgeving. Daarom keek ik gisteren naar Profiel, over de dichter Leo Vroman en zijn vrouw Tineke, die met 94 en 88 jaar nog steeds bij elkaar zijn. En hij aait nog steeds over haar arm als zij iets vertelt.

Leo en Tineke wonen in een bejaardenhuis in Fort Worth, Texas. Ze doen de dingen die bejaarden doen: ’s morgens medicijnen en pap eten, tv-kijken, de krant lezen, naar een gymklasje om de armen omhoog en omlaag te bewegen, op grote witte gympen lopen en achter de computer zitten (om ingewikkelde algoritmes te schrijven, dat dan weer wel).

Ineens vond ik dat een heel fijn vooruitzicht. Als het kan op de manier van Leo en Tineke Vroman, tenminste: met veel liefde. Hij vertelde alsof het gisteren gebeurd was hoe ze elkaar eeuwen geleden hadden ontmoet, als studenten. Zij kwam uit Indië, en hij was toevallig op een rijstdieet en vroeg of ze wat rijst van hem wilde. „Ze keek me aan of ik gek was. Dat doet ze nog steeds heel vaak”, zei hij en keek daar innig tevreden bij.

Ook preludeerden ze op hun dood, wat, lijkt me, iets is wat je doet als je 94 en 88 bent. Dat deden ze trouwens heel rustig en gezellig. Tineke wilde graag dat Leo voor haar zou sterven, want hij kon, dacht zij, minder goed alleen leven dan zij. En uit een gedicht dat Leo geschreven had over Tineke’s eventuele dood, en dat hij dan niet zou weten wat hij moest doen met haar net gebruikte ontbijtbordje dat nog in de gootsteen zou staan, bleek dat hij er ook wel zo over dacht.

Maar nu leefden ze nog en deden ze vrijwilligerswerk in hun bejaardentehuis. Met zijn tweeën liepen ze achter een soort stewardessenkarretje, klopten aan bij zieke medebewoners, en vroegen of die iets wilden drinken. Leo schonk in en ging over de rietjes, Tineke bracht de drankjes. ‘Happy Hydrating’ stond er op een bordje dat aan hun drankjeskar hing.

Aan het eind van het programma wilde Leo nog weten of Tineke tóch niet liever eerder dan hij zou willen sterven, als hij bijvoorbeeld verlamd in bed zou liggen, kwijlend, met een open mond. „Dan krijg je er ook genoeg van”, opperde hij.

„Nee”, zei Tineke, „dan wacht ik”.