Aaf Brandt Corstius: Met stro in hun haar

Het schijnt ergens tussen het negenentwintig-en-een-halfste en het vijfendertigste levensjaar van een stadsmens te gebeuren dat zo’n stadsmens denkt: misschien is het niet zo gek om buiten de stad te wonen. De huizen zijn er groter, de straten zijn er rustiger, het groen is er groener. En bovendien is het er spot- en spotgoedkoop.

Dat zijn illusies waarmee stadsmensen leven. Ik ook. Dus stond ik gisteren in de voortuin van een onstads groot huis door het raam te loeren. De makelaar was er nog niet, en binnen zag ik een uitgewoonde ruimte. Maar wel groot. Met zonnige ramen. En aan de achterkant was nog een tuin, met een vrolijke, paarse plant erin.

Het huis, moet ik erbij zeggen, stond eigenlijk wel in de stad, maar aan de rand. Je moest erheen met een pont of door een tunnel. Voor een stadsmens al een hele barrière. Er waren geen cafés, kleine winkeltjes of metro’s. Er was wel een vijver. Voor mij was het dus landelijk.

De makelaar arriveerde en liet ons het huis zien. Bij de stoppenkast zei hij: ‘Het elektra moet gedaan worden, dat ziet u.’ Ik zag vier stoppen, van die gezellige ouderwetse ronde, en zei: ‘Ja.’ In de woonkamer zei hij: ‘Geen cv.’ Bij het raam zei hij: ‘Tochtgeleidend.’ Bij de kolenkit in de achtertuin zei hij: ‘Daar kunt u een kind in stoppen.’

Dat was een van de originelere makelaarspraatjes die ik had gehoord. Er was ook nog een kleinere kit, voor houtblokjes. Ik vond het allemaal even authentiek. En dat woord had de makelaar mij niet eens in de mond gelegd.

We verlieten het huis en belden met een local. Een ex-stadsmens, die daar om de hoek woonde, in een prachtig oud huis, ook weer met voor- en achtertuin. Ze leidde ons rond en liet ons haar moestuintje zien, haar vuurplaats, het meer waar ze ’s zomers in zwom en het bos waar ze dagelijks doorheen rende. Ook vermeldde ze dat haar kinderen vaak uit school kwamen ‘met stro in hun haar’.

Die zin zou iemand aan de makelaar moeten leren, bedacht ik mij. Altijd iets zeggen over stro in het haar.

Toen liet ze mij de boomhut van haar kinderen zien. Ik staarde naar de boomhut, zei iets over Astrid Lindgren en Zweden, en mijn vriend keek me bezorgd aan. Hij wist dat ik me nu in de gevarenzone bevond.