Er zijn mensen die geloven dat de eskimo’s twintig of zelfs honderd woorden voor sneeuw hebben. Dat is niet waar, het is een mythe waar heel veel mensen graag in geloven. (Ook nu zullen er lezers zijn die zeggen: „Jawel! Twintig woorden! Voor sneeuw!” Nee dus.)
Wat echter wel waar is: als je iets veel tegenkomt in je omgeving, dan zul je er vaker over praten. Toegegeven, een open deur.
Maar die open deur verklaart misschien wel waarom onze taal in het huidige tijdsgewricht van obesitas werkelijk wordt overspoeld door woorden die iets met dikheid te maken hebben.
Wat te denken van ‘dikke doei’? Dat wil zo veel zeggen als: „Ja, doei, zoek het even lekker zelf uit, ik laat me niet voor je karretje spannen.”
Als er iets meer verontwaardiging in het spel is, kan ‘dikke pik’ of het wat nettere ‘dikke vinger’ ingezet worden. „Zegt hij, van, kun jij die kattenkots even opdweilen, want ik moet nu weg. Dus ik zo van, dikke vinger, het is jouw kat.”
Al deze betekenissen van ‘dik’ drukken een laissez-faire-houding ten opzichte van het leven aan. ‘Dikke lul’ kun je ook gebruiken, en als het je allemaal echt geen reet meer kan schelen, dan maak je er ‘dikke lul, drie bier’ van. Alleen ‘maak je niet dik’ is een vreemde eend –
je zou eerder een geruststellend ‘maak je niet dun’ verwachten.
Een andere betekenis van ‘dik’ heeft met gezelligheid te maken.
Denk aan ‘dikke mik’ („Het is echt dikke mik tussen die twee”). We kennen dit soort ‘dik’ al van ‘dikke vrienden’. Tussen geliefden kan het ‘dik aan’ zijn. Dit gebruik van ‘dik’ heeft niets met laissez-faire te maken, maar roept eerder beelden op van een moddervette, verstikkende omhelzing.
Samengevat kunnen we concluderen dat we blijkens onze taal vinden dat ‘dik’ iets te maken heeft met relaxed zijn. En dat dik gezellig is.
Nergens zijn clichés zo hardnekkig als in de taal.
Paulien Cornelisse



