Archief van berichten op 25 juni 2009

Er zijn mensen die geloven dat de eskimo’s twintig of zelfs honderd woorden voor sneeuw hebben. Dat is niet waar, het is een mythe waar heel veel mensen graag in geloven. (Ook nu zullen er lezers zijn die zeggen: „Jawel! Twintig woorden! Voor sneeuw!” Nee dus.)

Wat echter wel waar is: als je iets veel tegenkomt in je omgeving, dan zul je er vaker over praten. Toegegeven, een open deur.

Maar die open deur verklaart misschien wel waarom onze taal in het huidige tijdsgewricht van obesitas werkelijk wordt overspoeld door woorden die iets met dikheid te maken hebben.

Wat te denken van ‘dikke doei’? Dat wil zo veel zeggen als: „Ja, doei, zoek het even lekker zelf uit, ik laat me niet voor je karretje spannen.”

Als er iets meer verontwaardiging in het spel is, kan ‘dikke pik’ of het wat nettere ‘dikke vinger’ ingezet worden. „Zegt hij, van, kun jij die kattenkots even opdweilen, want ik moet nu weg. Dus ik zo van, dikke vinger, het is jouw kat.”

Al deze betekenissen van ‘dik’ drukken een laissez-faire-houding ten opzichte van het leven aan. ‘Dikke lul’ kun je ook gebruiken, en als het je allemaal echt geen reet meer kan schelen, dan maak je er ‘dikke lul, drie bier’ van. Alleen ‘maak je niet dik’ is een vreemde eend –

je zou eerder een geruststellend ‘maak je niet dun’ verwachten.

Een andere betekenis van ‘dik’ heeft met gezelligheid te maken.

Denk aan ‘dikke mik’ („Het is echt dikke mik tussen die twee”). We kennen dit soort ‘dik’ al van ‘dikke vrienden’. Tussen geliefden kan het ‘dik aan’ zijn. Dit gebruik van ‘dik’ heeft niets met laissez-faire te maken, maar roept eerder beelden op van een moddervette, verstikkende omhelzing.

Samengevat kunnen we concluderen dat we blijkens onze taal vinden dat ‘dik’ iets te maken heeft met relaxed zijn. En dat dik gezellig is.

Nergens zijn clichés zo hardnekkig als in de taal.

Paulien Cornelisse

In voorpaginalanden is het vaak hetzelfde liedje: de ene corrupte schurk wil de andere corrupte schurk van de troon stoten. Vorige zomer zagen we zoiets in Zimbabwe, in de strijd tussen Tsvangirai- en Mugabe-aanhangers, die we volgden als een voetbalfinale tussen twee buitenlandse teams. Tegelijkertijd waren er in Thailand protesten, die ons al iets meer interesseerden, aangezien er westerse toeristen bij betrokken waren die het land niet meer uit konden.

In het geval van Iran lijken we echter een compleet andere houding aan te nemen. Hoewel ook hier een variant klinkt op het oude voorpaginalandenliedje – de ene dictator versus de andere – heeft het Westen een hartstochtelijke voorliefde voor Mousavi ontwikkeld.

Het is zelfs een wereldwijde solidariteitsgolf waar je je met goed fatsoen niet afzijdig van kunt houden. Wie nu z’n Twitterfotootje nog niet op groen heeft staan (om de revolutie symbolisch te steunen), is overduidelijk een egocentrische klootzak.

Hoe is dat te verklaren? Het kan niet alléén ons heilig geloof in ons democratisch systeem zijn. Dan zouden we het evengoed voor de bevolking in Birma, Cuba, Laos, Libië, Noord-Korea of Syrië kunnen opnemen.

Mousavi’s succes komt door de beeldvorming, die aansluit bij archetypische mythen van het Westen. Wij identificeren ons met de opstandige, jonge bevolking (ze hebben er zelfs mobieltjes!) en schakelen de Iranprotesten op één lijn met de Val van de Berlijnse Muur, de Mars naar Washington van Martin Luther King, en al die andere gebeurtenissen waarbij individuele vrijheden werd veroverd op een onderdrukkend systeem.

Identificatie is de sleutel. Als we iemand een spandoek ‘where is my vote?’ zien ophouden, gaan we er klakkeloos vanuit dat die persoon het liefste samen met ons in de McDonald’s cola zou willen drinken, maar door de dictatuur verstoken blijft van de zegeningen van ons Vrije Westen.

Dat hoeft niet helemaal waar te zijn. Stel dat volksheld Mousavi straks aan de macht komt, en, zoals hij graag wil, doorgaat met het verrijken van uranium en van Iran een kernmacht maakt, zetten we dan nog steeds onze Twitterfotootjes op groen?

Christiaan Weijts

Met zijn gedichten heb ik niet zoveel, en met zijn stonede performances met veel gesliert van haar en gezwaai van armen ook niet, maar als mens vind ik Simon Vinkenoog erg vermakelijk. Nu ligt hij in het ziekenhuis bij mij om de hoek, waar zijn rechteronderbeen geamputeerd is. Hij had helse pijn aan dat been, en dit was de enige oplossing.

De meeste mensen zouden klagen als hun rechteronderbeen geamputeerd was, maar Simon Vinkenoog (80) niet. Hij zag er heel monter uit op de foto op de voorpagina van Het Parool van gisteren, en verklaarde dat hij het ziekenhuis een ‘experience’ vond. Hij lag op zijn ziekenhuisbed met een stoppelbaard en in een T-shirt, waarop iets met Freedom stond, lekker een dichtbundel van Hans Verhagen te lezen.

lees verder