De uitgever heeft voor dit artikel geen publicatierecht
Archief van berichten uit oktober
Is Ed Nijpels een graaier?
Dat zou ik niet meteen willen zeggen, Ook nu hij de zestig begint te naderen en z’n gezicht wat voller is geworden, blijf ik hem zien als de kruising van een rotjongetje en een huilebalk: moeder, ze pesten me. Je komt dan ongeveer uit bij de wat achterbakse dorpsgenoot van Dik Trom, die Bruin heette: Bruin Boon. Vrouw Boon, Bruins moeder, was ook geen erg sympathiek karakter in de boekenreeks. Was er eigenlijk een vader Boon? Misschien wilde de schrijver een achtergesteld milieu en een minder gelukkige jeugd suggereren. Hoe dan ook: Bruin had ik in deze tijd wel degelijk bestuursvoorzitter van het pensioenfonds ABP zien worden. Dik Trom nooit.
Een vriendin van mij maakte een zombiemusical, en werd daardoor uitgeroepen tot zombie-expert. Hoewel ik veel van zombies houd (ik figureerde ooit bijna in een zombiefilm, met als enige vereiste ‘dat je het niet vervelend moet vinden als er vleeswaren op je gezicht gelegd gaan worden’) had ik geen idee van de peilloze diepten der zombiewereld.
Zo vertelde ze me laatst dat ze jurylid bij een debat was geweest. Op een zombiefestival. ‘Een debat over wat?’, vroeg ik. ‘Hoe bejaarde zombies uit hun sociale isolement gehaald moeten worden?’ ‘Nee’, zei ze. ‘Over langzame en snelle zombies.’ Er bleek al een tijd een heftige tweestrijd onder zombieliefhebbers te heersen. De ene groep is van mening dat ondoden ook kunnen rennen, en dus als ranke hinden, hun loshangend vlees wapperend in de wind, achter je oma aan kunnen gaan. De andere groep is er heilig van overtuigd dat zombies moeten strompelen. Zombies zijn namelijk net opgestaan uit de dood, en bewegen zich dus nog langzaam en onhandig.
Vrouwen van in de twintig (of zijn dat meisjes?) noemen hun vriendinnen vaak hun vriendinnetjes: „Ik ga vanavond tapas eten met mijn vriendinnetjes.” Laatst vertelde zo’n vrouw van in de twintig dat ze jarenlang had gewalgd van dat ‘vriendinnetjes’ (te kinderachtig, te gemaakt-schattig), maar nu helaas toch gezwicht was. Ze had het te vaak gehoord om het zelf niet ook te gebruiken. Mannen die het over hun vriendjes hebben, dat zijn doorgaans VVD’ers van boven de zestig („Een vriendje van mij zit op de ambassade in Dubai…”)
Niet alleen doet je leeftijd en je geslacht ertoe bij het aanduiden van de vriendenschare, ook de plek waar je woont is belangrijk. Wat is namelijk het geval? Er is een joekel van een verschil tussen de grote stad en alles daarbuiten. Als een stadse vrouw met een vriendin naar de film gaat, en ze vertelt daarover, dan zegt ze: „Ik ga met een vriendin van mij naar de film.” Buiten de grote stad wordt in dezelfde situatie eerder gezegd: „Ik ben met mijn vriendin naar de film geweest.” Zou de stadse vrouw nooit doen. Tenzij die vriendin haar geliefde is.
Maar om verwarring daaromtrent te voorkomen, moet de heteroseksuele, stadse vrouw haar toevlucht nemen tot ‘een vriendin van mij’, of anders eventueel ‘een vriendin’.
Laatst was ik in een provincieplaats waar ik als test de zin „Een vriendin van mij weet alles van avocadorassen” uitprobeerde. Vonden ze belachelijk, nog los van die avocadorassen. Want je kon het net zo goed over ‘mijn vriendin’ hebben. Voor de mannen lag het allemaal anders, die zouden onder geen beding zeggen: „Mijn vriend weet alles van avocadorassen.”
Wat kunnen we hieruit concluderen? In de stad behoort ‘lesbisch’ meer standaard tot de mogelijkheden. En mannen zijn, ook buiten de stad, bang om voor homo te worden aangezien.
Het onderscheid is ook weer niet zo heel zwart-wit. Er zijn namelijk ook lesbische vrouwen in de grote stad, die het maar liever over ‘mijn vrouw’ hebben, omdat ‘mijn vriendin’ ook daar nog te vaak platonisch wordt opgevat.
Paulien Cornelisse
Ben je werkloos en woon je in Rotterdam? Dan is dit het recept voor een baan: tik ergens een pistool op de kop, stap ermee naar een gemeenteloket en haal het uit je zak. Men zal je met voorrang aan werk helpen. Als je tenminste Antilliaan bent.
Burgemeester Ahmed Aboutaleb (PvdA) opperde gisteren in het AD zijn plan voor ‘werk in ruil voor wapens’. Elke Antilliaan die zijn steek- of vuurwapen inlevert, wordt in ruil geholpen aan een baantje.
Aboutaleb heeft ongetwijfeld goede bedoelingen en zijn theorie is creatief: doorbreek de negatieve spiraal van wapens en werkloosheid, vang twee vliegen in één klap. In zijn enthousiasme ziet hij echter over het hoofd dat de grondbeginselen van het recht hiervoor opzij gezet moeten worden. Het voorstel zal geen enkele serieuze wettelijke toets kunnen doorstaan, omdat het rechtsongelijkheid bevordert op meerdere fronten. Naast discriminatie op afkomst is hier onmogelijk naar de bevolking te verantwoorden waarom een ontspoorde crimineel voorrang krijgt boven een ijverige, onbewapende schoolverlater of een crisisslachtoffer dat snakt naar een baan.
Aboutaleb is veel te voorbarig met het naar buiten brengen van zijn plannetje. Waarom niet eerst advies ingewonnen bij juristen? Waarom niet eerst de effecten door laten rekenen? Omdat, vrees ik, hij een imago van daadkracht wilde neerzetten. Opgejaagd door de kritiek van Leefbaar en PVV. En onder druk van zetelverlies van de PvdA. Opnieuw goedbedoeld van Aboutaleb, maar hij maakt zich hiermee juist doelwit van spot, en schaadt het imago van zijn deplorabele partij nog verder.
Naast illegaal is het plan immers ook nog eens onuitvoerbaar. Als ik tot de doelgroep behoorde, zou ik alleen m’n vlindermes komen inruilen voor werk, en m’n mooie dubbelloops thuis laten.
Bovendien verklaart justitie dat spijtoptanten wel degelijk proces-verbaal krijgen voor illegaal wapenbezit. Alleen daarmee al zakt het plan ineen, als een taart die te snel uit de oven komt. Zie je zo’n bewapende Antilliaan zich al vrijwillig melden voor straf?
Aboutalebs plan leunt aan alle kanten op goede bedoelingen, en zal daaraan bezwijken.
Christiaan Weijts
Sinds een paar weken is er op de Britse televisie een klimaatfilmpje te zien. Voor het slapen gaan leest papa een verhaaltje voor aan zijn dochtertje. „Ooit was er een land met verschrikkelijke overstromingen en stormen. Terwijl er in andere delen juist een allesvernietigende droogte heerste.” In het boek zien we een lief grijs konijntje dat tranen met tuiten huilt bij het zien van het verdroogde land.
„Wetenschappers zeiden dat het kwam door te veel CO2, dat de lucht in ging als de volwassenen energie gebruikten.” Er wordt ingezoomd op een plaatje van een huis waarboven een enorm zwart monster hangt met grijparmen en een griezelige mond. Het meisje zet grote ogen op maar papa vertelt door: „Sommige plekken verdwenen helemaal onder water. En de kinderen moesten leven met de verschrikkelijke gevolgen.” Een hondje zwemt rond in zijn verdronken dorp. Na een tijdje verdwijnt hij helemaal onder water.
Bij het zien van het filmpje moest ik denken aan mijn eigen nachtmerries over de ozonlaag. Bij gebrek aan een griezelig voorleesboek wist ik niet precies wat de ozonlaag was, maar er zat een gat in, en binnenkort zouden we niet meer naar het strand kunnen, en zou het gevaarlijk zijn om buiten te spelen. En uiteindelijk zouden we dan allemaal verbranden.
Voor de volwassen mensen zijn er nu ook verhaaltjes. Bijvoorbeeld dat je een slecht mens bent als je geen spaarlampen koopt, of een elektrische auto. En dat de bossen verdwijnen en de ijsberen, en dat dat allemaal onze schuld is. We geloven dat er geen maatregel te duur is om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Natuurlijk kunnen we het geld ook wel aan iets anders uitgeven. Maar wie heeft er nou wat aan gezondheidszorg of onderwijs als we toch niet meer op onze planeet kunnen leven?
Aan het einde van het verhaaltje slaat het dochtertje haar ogen op naar papa. „And Daddy? Does the story have a happy end?” Even is het stil. En dan schalt ineens de overheidsstem door de kamer. „Dat hangt alleen van pappie zelf af,” zegt de stem. Want als pappie goed naar het verhaaltje heeft geluisterd, komt er misschien, heel misschien, nog een happy end.
Rosanne Hertzberger
Als ik leden van de vakbond zie, moet ik altijd aan mijn vader denken.
Behalve dat hij samen met de oude Drees de stenografieclub Steeds Sneller oprichtte, dat hij in Davos heeft gekuurd tegen tbc, dat hij meer dan vijftig jaar lang op hetzelfde effectenkantoor werkte, en dat hij Beethoven de grootste componist aller tijden vond, was mijn vader ook nog een overtuigd liberaal. Niet op de manier van de vooroorlogse Liberale Staatspartij natuurlijk (hij zou alle kopstukken van de VVD tot en met Rutte hebben gewantrouwd), maar op de wijze van de Vrijzinnig Democraten. Net als Drees zou hij dit jaar 122 zijn geworden, dus hij leeft niet meer. Maar ik vermoed dat hij na lang nadenken, en met alle reserves die hij in zichzelf kon aanboren, nu in godsnaam toch maar op Pechtold zou stemmen.
Facebook lijkt in sommige aspecten op mijn eerste scoutingkamp. Ik was nieuw en liep zo verloren rond dat ik vergaande fantasieën had over een boom, mijn nek en mijn rommelig geknoopte fluitenkoord. Toen twee meisjes zich met mij bemoeiden, was ik zo opgelucht dat ik direct vriendschap met hen sloot. Dit bleek een fout. Deze meisjes waren niet leuk. De een praatte te hard en de ander kauwde alleen maar op haar mouw. Bovendien waren ze totale outcasts. Ik begreep dat – die mouw rook naar voeten – maar doordat ik nu met hen was, telde ik ook niet mee. Vriendschap is in die tijd een soort contract met bloed ge-tekend, dus ik schikte me in mijn lot en staarde weemoedig naar de andere kant van het kampvuur, waar meisjes praatten en liedjes zongen. Soms stak ik als troost even mijn mouw in mijn mond.
De tijd dat bellen naar een telefoondienst alleen voor vieze oude mannetjes was, ligt ver achter ons. U weet wel: die goeie ouwe jaren ’90, toen een ‘06-nummer draaien’ nog betekende dat je automatisch werd doorverbonden met een hijgende huisvrouw wier libido was vastgelegd op een cassettebandje van Menno Buch. Nee, tegenwoordig is er voor elk wat wils: je kunt je telefonisch laten aurareaden, parahealen en zelfs holistisch over je chakra laten masseren. Het schijnt dat De Nederlandsche Bank onlangs ook een aparte callcenter heeft ingericht voor gedupeerden van de DSB-affaire, maar dat loopt nog niet echt storm.
Voordat ik naar de poppen- en berenbeurs vertrek, vertelt iemand me over het fenomeen uncanny valley: een onderzoek over hoe mensen robots zien. Wij willen graag dat een robot menselijke trekjes heeft, bijvoorbeeld twee ogen of benen. Maar als de robot te veel op een echt mens gaat lijken vinden we het niet meer prettig. Dan stoot het juist af.
De poppen- en berenbeurs is wat mij betreft uncanny valley 2.0. Meteen bij de eerste stand zie ik een levensgrote, goed gelijkende babypop in een roze pakje met capuchon, waar een briefje bij staat: twee gezichten! Als ik aan de geduldige mevrouw vraag wat dat precies betekent, trekt ze de capuchon af, pakt kordaat het babyhoofdje vast en draait hem 180 graden. Zodra blijkt dat het achterhoofd bestaat uit een nieuw, boos gezichtje denk ik: ik weet niet zeker of ik goed ga slapen vannacht.



