Archief van berichten op 22 oktober 2009

Een man in verwarring kraamt veel raars uit. Zo ook Dirk Scheringa, tijdens zijn persconferentie afgelopen maandag. Hij beschikte naar eigen zeggen over ‘twee paar handen’, wat me veel lijkt. Hij sprak per ongeluk over ‘een soort holocaust’, terwijl hij waarschijnlijk bedoelde ‘een soort rollercoaster’ – dit omdat het later ineens wel weer over een achtbaan ging.

Daarnaast was alles krankzinnig, absurd, wrang en zuur.

Toch waren er ook nog pogingen om gewoon, rustig en rationeel over te komen. Dat deed Scheringa met het woord ‘apart’. „Wat heel apart is geweest, de afgelopen weken, is dat we in een soort horrorscenario terecht zijn gekomen.”

En: „Wat vervolgens dus heel apart was, was dat de bewindvoerder met die geïnteresseerde partij heeft gesproken, en een kwartier later werd gestopt met het boekonderzoek.”

Nu is ‘apart’ al jaren het woord voor iets heel negatiefs, dat niet zo genoemd mag worden. „Wow, heb je een nieuwe jurk? Jaaaa… Apart.”

Of: „Ze is een heel aparte vrouw; ze is helemaal gek van keramiek en ze eet uitsluitend producten op soyabasis.”

‘Apart’ is alleen inmiddels zo overbekend als verhullend woord, dat het vaker ironisch dan serieus wordt gebruikt. In de meeste kringen kun je echt niet meer aan komen zetten met ‘aparte jurk’. Dan weet je zeker dat je een lelijke jurk aan hebt.

Als je op een feestje wordt geconfronteerd met een grote pak zoute pinda’s en verder niets, kun je opmerken: „Wat een aparte catering.”

En als iemand op het werk een hysterische woedeaanval krijgt, een nietmachine door de ruimte smijt en daarna het pand in overspannen toestand verlaat, kan het heel geschikt zijn om vlak erna te zeggen: „Apart.”

Toch is het woord ‘apart’ niet in ieder gezelschap zo eenduidig negatief. Er zijn mensen, uit de softe hoek dan, die rustig kunnen zeggen: „Ik vond het wel heel apart hoe die zwijgretraîte bij me binnenkwam.”

Maar dat was duidelijk niet het soort ‘apart’ dat Dirk bedoelde.

paulien cornelisse

Toen de wereld van lp’s naar cd’s overstapte, was dat binnen een jaartje gepiept. Even met je ogen knipperen en VHS werd dvd. Fotorolletjes en polaroids hebben de aardbodem geruisloos verlaten.

Consumenten zijn flexibele organismen. Aan hen ligt het dan ook niet, dat we nog altijd niet van benzine- naar elektrische auto’s zijn overgestapt. Ook technisch is de wereld er klaar voor.

Waar het wel aan ligt: politieke onmacht en administratief getrut. Zo bleek gisteren dat de hybride auto toch niet zo schoon is als we dachten. In de stad, waar de hybride auto elektrisch rijdt, is hij wél schoon, maar op de snelweg, waar de benzinemotor aangaat, níet. De gemiddelde leaserijder rijdt voornamelijk op de snelweg; de gewone automobilist voornamelijk in de stad. De Belastingdienst baseert zich op die laatste, en geeft alle hybridebestuurders, dus ook die smerige leasebakrijders, een korting.

Heel oneerlijk natuurlijk, maar wat moet je dan? Een kastje in de auto zetten dat het aantal schone kilometers turft?

Zelfs in bescheiden hybride vorm, zit de elektrische auto verstrikt in kluwen van regelgeving, tegenstrijdigheden, gepriegel met cijfertjes, en aan het einde van de dag staan de wegen nog altijd stampvol met ingeblikte stankmachines.

Waar blijft het grote visionaire elektrische autoproject, dat van Nederland een mondiale voortrekker maakt en bovendien werkgelegenheid biedt aan tienduizenden? Waarom rijden niet alle ministers en koningshuisleden elektrisch? Waarom krijgen de elektrische auto-industrie en ondernemers die slimme oplaadsystemen ontwikkelen niet een duizelingwekkende kapitaalstimulans? Waarom zo aarzelend, zo halfslachtig, zo hybride?

Omdat de huidige situatie voor ontelbare partijen ontelbaar veel winst oplevert, en onze regering doodsbang is voor grote hervormingen. Als futiele statiegelddingetjes als de ov-chipkaart, het uitbaggeren van een rivier of de AOW-leeftijd al tot waanzinnige, hysterie leiden, hoe moet dat dan met het overschakelen op een andere brandstof?

Dus gebeurt er niets. En aan het einde van de dag staan de wegen nog altijd stampvol met ingeblikte stankmachines.

Christiaan Weijts

Vanaf het moment dat ik restaurant Fifteen binnenloop, voel ik me een fraudeur. Samen met de culinaire pers van Nederland wacht ik op een perslunch ter ere van Jamie Olivers nieuwste boek.

Ondertussen heb ik het gevoel dat men de oploskoffie-aanslag op mijn tanden kan zien, de Brinta in mijn adem zal ruiken en dat de lucht van kartonnenpakken-wijn uit mijn poriën opstijgt. Mijn culinair hoogtepunt valt in één woord te omschrijven (dok-teroetkermozzarellapizza), ik denk dat pannacotta Italiaans is voor ovenwant en ik reken magnetronpoffertjes tot een van de betere uitvindingen van de eenentwintigste eeuw. Ik eet geen vlees, en wat ik het allermeeste mis is de kroket. O, kroket. Met je verleidelijke goudbruine glans en je gekruide orgaanvleespuree. Ik mis je zo. Ik mis je zo.

lees verder