Archief van berichten op 26 oktober 2009

Een week na het pauselijk gestook buiten eigen kring wordt duidelijk hoe ver de rooms-katholieke kerk afstaat van hetgeen er werkelijk leeft onder moderne gelovigen. Zelfs in de weinig tolerante Verenigde Staten zijn katholieken procentueel meer voor het homohuwelijk dan het gehele Amerikaanse publiek.

Voor de 12 procent niet-religieuzen en 2 procent godloochenaars onder ons is het sowieso van een onbegrijpelijke middeleeuwse orde, die presentatie van een apostolische constitutie. Maar dat neemt niet weg dat het fascinerend is om de destructieve kracht van een intolerante kerk van nabij mee te maken.

Het ogenschijnlijk broederlijke gebaar van Joseph Ratzinger a.k.a. Benedictus XVI a.k.a. de paus jegens de Anglicaanse Kerk, maar liefst 475 jaar na het schisma – het begrip rancune is door de katholieke kerk uitgevonden – illustreert hoezeer de rooms-katholieke kerk gedijt bij een inhumaan concept als uitsluiting. Dat, zegt die 14 procent onder ons, is de basis van ieder geloof. Misschien.

Maar voor een kerk die zijn nieuwbakken wetten presenteert als een handreiking is dit wel heel teleurstellend. Voordeel is, voor diegenen die op de wip zaten en aan het twijfelen sloegen wordt het alleen maar makkelijker om de rooms-katholieke gemeenschap voorgoed te verlaten. Tenzij het binnenhalen van getrouwde priesters een aanmoediging is voor vrouwen en homoseksuelen die weten dat ze altijd buiten de orde zullen blijven vallen.

Het gaat allemaal voorbij aan het feit dat de trend zich steeds meer beweegt in de richting van verscheidenheid in plaats van eenheid onder een intolerante kerk. Zo heeft onderzoek onder katholieke uitgewezen dat zij zich steeds minder aantrekken van kerkelijke wetten die zich blijven openbaren als niet van deze tijd. 51 procent van de Amerikaanse katholieken bijvoorbeeld, vindt dat abortus moet worden gelegaliseerd. 55 procent van hen stemt in met stamcelonderzoek.

Het maakt de pauselijke afkondiging daarom ook zo onzinnig en dwingt steeds meer gelovigen die zich niet langer kunnen vinden in het onchristelijke principe van uitsluiting, afstand te doen van hun kerk. En dat is een ontwikkeling die zeker onze sympathie verdient.

Ik sta met een groepje mensen op een donker en nat Domplein. Lantaarns verlichten de slagregen. Ik ben doorweekt. Paraplu’s behoren tot een wereld van gedegen voorbereiding. Ik kom vaak in cafés tot de ontdekking dat ik twaalf batterijen en een babymeerkat in mijn tas heb, terwijl ik mijn telefoon, portemonnee en waardigheid thuis heb laten liggen. Gelukkig houdt de regen af en toe miraculeus op, omdat er soms uit medelijden een paraplu van anderen in de groep boven mijn hoofd zweeft.

We beginnen aan een nachtwandeling langs de donkerste plekken van Utrecht ter ere van de Nacht van de Nacht, waarin lichtvervuiling centraal staat. Het thema spreekt me aan en bovendien klinkt een nachtwandeling spannend, alsof de weg wordt geleid door iemand die ondertussen griezelverhalen vertelt bij een flakkerend olielampje. In dit geval dan griezelverhalen over schijnwerpers en verlichte etalages, maar toch.

lees verder

‘De Mexicaanse griep is een milde griep”, zei de infectiedeskundige van het Rijks Instituut voor Volksgezondheid, ‘maar soms zijn de verschijnselen ernstig.’

Roel Coutinho.

Hoe de verhoudingen precies liggen tussen mild en ernstig, of tussen Roel en de twee Abs (Osterhaus en Klink), wat de rol is van de Gezondheidsraad en de Inspectie, of er straks meer 85-plussers zullen overlijden dan kinderen tot 12, en hoeveel het er in absolute getallen moeten worden vóór we van een nationale ramp mogen spreken – dat zou ik allemaal niet weten, en als ik het wél wist zou ik het morgen al weer moeten rectificeren.

lees verder

Ik sta met een groepje mensen op een donker en nat Domplein. Lantaarns verlichten de slagregen. Ik ben doorweekt. Paraplu’s behoren tot een wereld van gedegen voorbereiding. Ik kom vaak in cafés tot de ontdekking dat ik twaalf batterijen en een babymeerkat in mijn tas heb, terwijl ik mijn telefoon, portemonnee en waardigheid thuis heb laten liggen. Gelukkig houdt de regen af en toe miraculeus op, omdat er soms uit medelijden een paraplu van anderen in de groep boven mijn hoofd zweeft.

We beginnen aan een nachtwandeling langs de donkerste plekken van Utrecht ter ere van de Nacht van de Nacht, waarin lichtvervuiling centraal staat. Het thema spreekt me aan en bovendien klinkt een nachtwandeling spannend, alsof de weg wordt geleid door iemand die ondertussen griezelverhalen vertelt bij een flakkerend olielampje. In dit geval dan griezelverhalen over schijnwerpers en verlichte etalages, maar toch.

We vertrekken met de groep naar een cafékelder. Tot mijn teleurstelling brandt er gewoon licht, en legt de gids iets uit over een Romeinse muur. Geen kwaad woord over de Romeinen, maar zolang het niet over in de fik gestoken gekruisigden bij wijze van straatverlichting gaat, zie ik geen verband met het thema van de avond. Als de gids daarna twijfelend vraagt: ‘Is dit een beetje wat jullie verwachtten?’ vermoed ik dat er enige onduidelijkheid bestaat over deze wandeling.

De wandeling voert langs historische hoogtepunten, die niets met donkerte te maken hebben. Op een gegeven moment wijst de gids op een aantal kraagstenen: ‘Ze zijn prachtig gebeeldhouwd. Ja, dat kan je nu niet zo goed zien.’ ‘Jammer dat het zo donker is?’ zeg ik verbijsterd. ‘Wat betreft die kraagstenen,’ zegt iemand. ‘Ik ben van de gemeente, en we gaan daar een heel mooi spotje op zetten.’

Als later iemand anders me uitlegt dat zijn paraplu van een bedrijf is dat lichtzuilen maakt, krijg ik al helemaal het gevoel dat het stiekem de Nacht van JEEE NOG MEER NEON! is.

Op het laatst gaan voor één keer symbolisch de lichten van de Dom uit. Ik kijk naar de indrukwekkende zwarte toren, en vraag me af waarom hij niet zo kan blijven. Ik heb het licht gezien. Ik wil het uit.