Toen de vingerafdrukken centraal werden opgeslagen was er nog wat tegenstand. En toen de telefoongegevens ineens werden bewaard alsof we allemaal criminelen zouden zijn werd er ook nog wat gemord. Maar tegen de bodyscans vond men het moeilijk om argumenten te vinden. Ik ken niemand die oprecht verontwaardigd is.
En stel dat iemand het wel een probleem vindt? Hebben we dan nog recht van spreken als we zelf doorgaan met het online plempen van al onze digitale informatie omdat toch alleen onze 680 vage vrienden (en hun vrienden) het kunnen zien? Straks koppelt iedereen LinkedIn aan Twitter aan Facebook aan Gmail en dan nóg moeten we gedwongen worden om moeilijkere wachtwoorden te kiezen. Dan nog zuchten we ongeduldig als we eerst uitgebreid op de privacybescherming worden gewezen voordat we onze creditcardgegevens ergens invullen.
De meerderheid van Nederland geeft niet meer om privacy. Zodra er ook maar één mislukte aanslag plaatsvindt wordt er gesmeekt om bodyscans, eist men dat iedereen die vliegt eventjes visueel gevisiteerd wordt, zonder verdenking, zonder aanleiding. We geven ons de hele dag bloot op internet, waarom zouden we dan een probleem maken van zo’n apparaat?
En weinig mensen kunnen nog overtuigend uitleggen waarom privacy belangrijk is. Sophie in ’t Veld kwam maandag in Pauw & Witteman niet verder dan dat het allemaal wel meevalt met de terrorismedreiging. GroenLinks gniffelde wat in het parlement over genitaliën die te zien zouden zijn. En zelfs burgerrechtenorganisatie Bits of Freedom kan het probleem van privacyschendingen niet concretiseren. Zij noemen vooral de kosten als nadeel van bodyscans.
Zodra de kosten als argument in een discussie over een essentieel burgerrecht mee gaan tellen, dan heeft dat burgerrecht zijn beste tijd gehad. Misschien heeft de meerderheid van Nederland wel gelijk en hoef je geen belang meer te hechten aan antieke begrippen als persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit. Ik hoop van harte dat het recht op privacy inderdaad niet de moeite waard was om te verdedigen.
Rosanne Hertzberger



