Archief van berichten op 20 januari 2010

Ik ben een week op het Tunesische schiereiland Djerba. Op de eerste ochtend ga ik een stokbrood kopen. De receptionist legt het uit: „Een paar honderd meter verder op de boulevard zit aan je rechterhand een bakker.” Tien meter buiten de deur van het hotel begin ik me onprettig te voelen. Overal hangen mannen rond. De enige vrouw die ik tegenkom zit verstopt achter meerdere sluiers en wordt begeleid door haar echtgenoot.

Ik loop langs een koffiehuis. Dat is niet zo’n leuke ervaring. Op het terras zitten tientallen mannen die mij nastaren. Er klinkt geroep. Er klinkt dat vieze gesmak van door de lucht toegeworpen kussen. Ik steek snel over, maar ook daar valt een man me lastig door me links noch rechts voorbij te laten gaan. Als opgeschoten wild schiet ik om hem heen. Na nog twee koffiehuizen gepasseerd te zijn heb ik geen zin meer. Ik besluit het stokbrood te laten zitten.

Het blijkt een voorproefje te zijn. Bij het traditionele huwelijk dat ik die avond bijwoon, zitten de vrouwen weggepropt in een zijkamertje. Terwijl de mannen aan lange tafels zingen en drinken, is er pas na een half uur een stoel voor oma te vinden. Aan het eind van de avond rijden de dronken mannen de tot het bot verveelde vrouwen weer naar huis.

In de lobby van het hotel haalt een Duitse reisbegeleider zijn schouders op: „Vrouwen worden hier anders gezien dan in Europa. Dat is hier nu eenmaal de cultuur.” Ik probeer te bedenken hoe mijn leven hier eruit zou zien. Hoe vaak ik ergens niet naartoe zou kunnen. Gewoon, bij gebrek aan mannelijke begeleiding.

Het relativerende ‘dat is nu eenmaal de cultuur’ heb ik vaker gehoord. Er zijn nog steeds mensen in Nederland die in multiculturalisme geloven: Dat we op een of ander manier verrijkt zouden worden door vermenging van dit soort culturen en dat de seksistische, discriminerende inborst nu eenmaal als onderdeel geaccepteerd zou moeten worden.

Ik ben binnen gaan zitten, de zon schijnt op mijn balkon. Maar zelfs daar word ik niet met rust gelaten door het publiek voor het hotel. Pas als mijn mannelijke reisgezelschap terug is, kan ik in deze cultuur weer zorgeloos over straat. Ik heb me nog nooit zo hulpeloos gevoeld.

Rosanne Hertzberger

‘Aan de deur wordt niet gekocht.’

Prachtige, voor geen enkel misverstand vatbare bordjes waren dat vroeger.

Er werd gebeld, je keek door het ronde gluurgaatje en zag, zwaar uitvergroot, een arme sloeber met garen en band in de koude avondlucht staan. Je opende de verschillende dievensloten, keurde het individu uiteraard geen blik waardig, en strekte een vinger in de richting van de mededeling die, recht en slecht opgeschroefd, aan duidelijkheid niets te wensen overliet, en tikte er streng op:

lees verder

Mijn vader stond op mijn voicemail. „Spreek ik met mijn dochter”, zei hij. „Je klinkt als een zombie.” Daarna sprak hij mijn hele voicemail vol, want aan de tijd die de providers daarvoor geven heeft hij niet genoeg. Mijn vader is een man van het gesproken woord, hij kijkt met zijn mond, zou je kunnen zeggen.

Ik belde terug. „Ik weet niet of ik je dochter ben”, zei ik. „Dat moet je aan mama vragen.”

„Het lijkt wel of je dood bent. Die stem op je voicemail. Of bijna dood bent. Of in ieder geval dood wil.”

lees verder