Archief van berichten op 25 januari 2010

Met een diepe compassie voor armoede en ongelijkheid is het zo pover gesteld in de ontwikkelde wereld dat er nu al mensen zijn die geloven dat de aardbeving in Haïti een geluk bij een ongeluk is voor het geruïneerde land. Die gedachte is met tweehonderdduizend doden en een veelvoud daarvan aan ontwrichte levens niet eens cynisch meer te noemen – veel erger kan het niet.

Het geluk bij het ongeluk van Haïti is natuurlijk de volle aandacht van de wereld voor het al eeuwen achtergestelde land. De blijken van deelneming, de acties van invloedrijke politici, het geld dat rijkelijk wordt gedoneerd, kortom de verbroedering die grote rampen nu eenmaal teweeg brengen, dát is het geluk.

Het is allemaal mooi en goed, maar het stemt ook mismoedig: de wetenschap dat alleen rampen tijdelijk verlichting kunnen brengen voor mensen, die getraumatiseerd en al, een leven lang aan de rand van de afgrond hebben gestaan. De wetenschap dat ze lang na het verstrijken van de laatste aardschok, tsunami of vulkaanuitbarsting, daar nog steeds staan, gedecimeerd en al, in een gedoneerd T-shirt met achterhaalde opdruk van een betrokken gever uit Lutjebroek. De wetenschap dat de afgrond voor de meesten altijd zal blijven bestaan, in afstand en diepte variërend, in afwachting van de volgende ramp, of gulle hand van de een of andere NGO.

Gujarat, Bam, Atjeh, Kasjmir, Sichuan – geluk in ruil voor een half miljoen slachtoffers. Ze hebben ons allemaal in meer of mindere mate beroerd. Maar heeft het geluk er wortel geschote?

Wat is er nodig voor het geluk van Haïti? Aardbevingbestendige gebouwen? Landbouwprojecten van de VN? Meer initiatieven van de ronkende hulpverleningsindustrie? Wat beklijft langer dan het budget, de projectduur of het medeleven die het land worden gegund?

Misschien ligt de oplossing begraven in het verleden – vóór de globalisatie. Die begon in Haïti al in de zeventiende eeuw of eerder, met de vindingrijkheid van onze beschaving: de exploitatie van vruchtbare grond en mensenlevens.

Zou het kunnen dat dáár het geluk van Haïti is verongelukt?

Hoe noemden Italianen uit de dagen van Mussolini het ook weer als je wettelijke bevoegdheden niet onderbracht bij een democratisch gekozen volksvertegenwoordiging, maar ze als het uitkwam bijvoorbeeld ook wel eens gunde aan een groepje automobilisten dat zwoer bij de Wegenwacht?

O ja: corporatisme.

En welke Nederlanders uit de dagen van C.R.M. Romme flirtten ook al weer met het idee van een semicorporatieve staat?

Verrek ja: de katholieke Nederlanders uit wier nest ook de beoogde opvolger van CDA-leider Balkenende is gevlogen: kroonprins Camiel Eurlings! Zo zie je maar weer dat in Nederland de politieke nuances kunnen veranderen, maar dat de grote lijn verzekerd blijft.

lees verder

Je hebt het een en het een en het ander. Dit en dat. Peper en zout, man en vrouw, lovers en haters (i love haters), moslims en joden, appels en peren, oorlog en vrede, zwart en wit. En meer van dit en dat.

Zie je hoe verbroederend het woordje ‘en’ kan werken? Nou, let op, daar gaan we. Je hebt de Kamasutrabeurs en de ChristenUnie . Als je het zo stelt, is er niets aan de hand. Het één sluit het ander niet uit. Ze kunnen naast elkaar leven. Prima verder. Iedereen in de gloria, allemaal blij en tevreden.

lees verder