jan blokker: Twintigduizend literaire woorden minder
Hertalers verdienen in beginsel ons diepste wantrouwen. Omdat zij het Nederlands van P.C. Hooft, Justus van Effen, E.J. Potgieter en Lodewijk van Deyssel niet meer begrijpen, en aannemen dat u en ik het dan zeker niet meer begrijpen, zien ze het als hun sociaal-culturele taak om Hooft, Van Effen, Potgieter en Van Deyssel voor onze generatie weer toegankelijk te maken, door de moeilijke passages in het verouderd proza te schrappen, of – zoals Van Dale het uitdrukt, ‘te fraseren in eenvoudiger bewoordingen’.
Het is liefdewerk. Dat steken hertalers ook nooit onder stoelen of banken. Voor het geld hoeven ze het niet te doen, rijk zullen ze er nooit van worden. Er zou wat hen betreft ook eigenlijk een staatscommissie moeten komen die tegen een redelijk honorarium opdrachten verstrekt voor de hertaling van auteurs die aan de beurt zijn. ‘Hertalers gezocht voor het toegankelijk maken van Ter Braak en Du Perron, wier werk in de zomer van 2012 aan vereenvoudiging toe is.’ Zulke oproepen zouden zij graag in de krant zien staan. Maar ze zullen intussen niet klagen.
De hertaler Gijsbert van Es, die ter gelegenheid van de 150ste verschijningsverjaardag de Max Havelaar opnieuw heeft gefraseerd, liet in een gesprek met Het Parool iets van zijn offerbereidheid doorschemeren. „Ik dacht”, zei hij tegen z’n interviewer, „als niemand het doet, zal ik het boek dat mij zo boeit zèlf toegankelijk maken voor jongeren”. En de interviewer vervolgde: „Van Es deed het naast zijn werk als NRC-journalist, meestal onderweg in de trein, met een laptopje op schoot.”
Niks luxe dus, nul staatssteun, geen speciale voorwaarden waarbinnen de hertaler op z’n gemak een oldtimer binnen ons bereik kan terugbrengen – een laptopje op schoot!
Van Es vertelde dat hij zich niet tot modieus taalgebruik heeft laten verleiden, dus nergens ff heeft geschreven als Multatuli even bedoelde. „Chillen en cool ontbreken ook. Maar ik ben er wel van uitgegaan dat iemand van zestien of zeventien het moet kunnen lezen. Geen onbegrijpelijke woorden, maar ook geen al te moderne was het uitgangspunt.”
Dat klinkt sympathiek. Maar voelen jongeren geen grote afstand als ze straks, toevallig toch in de boekhandel, een exemplaar doorbladeren en nergens een spoor van hun eigen woordenschat tegenkomen? Of is dat taaleigen over tien jaar toch weer verdwenen? Dat kan. Maar waarom maken we met het dan gangbare vocabularium dan niet een nieuwe hertaling? Er lijkt me niks op tegen om van zo’n belangrijk boek elke vijfentwintig jaar een frisse ‘her’ te laten maken. Tot we het natuurlijk met z’n allen geen belangrijk boek meer vinden.
Van Es heeft behalve alle voetnoten ook Droogstoppels bespiegelingen over de onthoofding van Maria Stuart en ‘de eindeloze dialogen van Havelaar in Indië’ geschrapt – bij elkaar een vijfde van de oorspronkelijke tekst. Niet weinig. Maar het had veel erger gekund als je leest hoe de hertaler, op gezag van de verouderde auteur, zijn oogmerk toelichtte: „Multatuli schrijft zelf”, zei hij tegen Het Parool, „dat het hem niet ging om mooi en precies te schrijven. Hij heeft het boek nooit bedoeld als een literair kunstwerk, maar als een pamflet, een strijdmiddel. Het ging hem om het effect van het boek. Dat was dus ook mijn uitgangspunt.”
Als je het zo bekijkt had Van Es net zo goed kunnen beginnen vanaf ‘stik in koffi en verdwijn’- zeg maar vanaf de moord op Droogstoppel. Dan had hij altijd nog een effectief pamfletje van vijf bladzijden overgehouden.
Ik las in Het Parool dat hij zijn werk opdraagt ‘aan de fair trade-organisatie van het Max Havelaarkeurmerk’, om daarmee in Multatuli’s geest te handelen: ‘De roeping van de mens is mens te zijn’.
Dan in godsnaam maar 20.000 literaire woorden minder.



