Archief van berichten op 4 februari 2010

Sinds er e-mail bestaat, bestaat er ook verwarring over hoe je zo’n e-mail aan moet heffen.

Toen de e-mail net bestond, leek het voor de meeste mensen een brief, die heel snel bezorgd werd. We hebben het over de vroege jaren negentig. De meeste e-mails begonnen toen met „Beste Jan” of „Geachte heer Smit”. Soms werd er ook nog een datum bij gezet, alsof die niet al automatisch in de e-mail staat. Ik ken iemand die tot diep in de jaren nul (en misschien nu nog steeds), boven elke e-mail „Amsterdam” zette, gevolgd door de datum. Dat gaf het gevoel van een brief uit de negentiende eeuw, maar dan op je computer.

Toen e-mailen gewoner werd, werd de aanhef ook meer casual. De laatste tijd zie ik veel ‘hey’. Of, vernederlandst: ‘Heej’. Het eerste ‘hey’ vind ik staan alsof je in Baywatch speelt anno 1987, het tweede ‘heej’ alsof je een volwassen vrouw bent die een babystemmetje opzet om toch nog schattig gevonden te worden.

Er zijn ook mensen die hun e-mail beginnen met „Hallo Piet”, dat heeft iets grappig-bots. Zelf opteer ik vaak voor „Ha Piet”, wat weliswaar een beetje padvinderij-achtig is, maar daardoor ook wel weer opgewekt en opgeruimd (overigens leuk om daarna een heel depressieve klaagmail te gaan schrijven, maar dat terzijde). Soms begin ik ook met ‘hé’, maar ik zie zelf ook wel in dat dat in feite erg veel lijkt op ‘hey’ of ‘heej’.

Gezien alle diepgaande problematiek rondom de juiste e-mailaanhef (waarom hoor je de hoge heren in Den Haag dáár nou nooit eens over!), is de nieuwste trend eigenlijk heel logisch. Namelijk: het lozen van de aanhef. Gewoon beginnen met de boodschap. De e-mail is hiermee verworden tot een lange sms.

Bijkomend voordeel is dat afsluiten ook niet meer hoeft. Dit zou voor mij een ideale oplossing zijn, zeker sinds ik onlangs mijn e-mail aan een wildvreemde besloot met ‘liefs, Paulien’.

paulien cornelisse

„Als iets waar is kan het toch niet strafbaar zijn?” Dit aforisme komt van PVV-leider Geert Wilders. Dat de altijd nauwgezet formulerende Bram Moszkowicz hem niet voor die slordigheid behoedde is raar. Autodiefstal, pinpasfraude, dierenseks: allemaal waar, en allemaal strafbaar. Bedoeld is natuurlijk: „Als iets waar is, dan kan het toch niet strafbaar zijn het te zeggen?”

En met die vraag werpt Wilders zich op als een moderne Giordano Bruno, die de brandstapel op moest omdat hij de wetenschappelijke waarheid vertelde over de zon en de aarde en de sterren.

Strategisch is Moszkowicz ijzersterk. Met zijn absurde eis de dagvaarding volledig voor te dragen, kreeg Wilders onbelemmerde zendtijd live bij de NOS met – als ultieme middelvinger – het OM als buikspreekpop. Oké, het werd niet de hele dagvaarding, maar toch.

De bedoeling was nu om die strategie consequent door te trekken: live bij de NOS zou de anti-islamkaravaan voorbijtrekken in getuigenverhoren. Hooggeleerden als Hans Jansen en Afshin Ellian zouden uitleggen ‘dat het waar is’. Moszkowicz’ retorische talent paart zich hier aan Wilders’ strategische mediaregie. Het oordeel van de rechtbank ‘of het waar is’ is namelijk ondergeschikt aan dat van het publiek.

Door dit verzoek om getuigen te horen grotendeels af te wijzen, probeert de rechtbank wijselijk de regie terug te grijpen. Dat zal maar deels lukken: veel ‘getuigen’ zullen in de media alsnog hun zegje doen. Dit is nu eenmaal een trial by media, waar de rechtbank nooit aan had moeten beginnen.

Straks luidt het vonnis uiteraard zo: sommige uitingen van verdachte zijn strafbaar; diens weliswaar legitieme kritiek op de fundamentalistische islam kan immers nooit voor de islam als geheel gelden; niettemin komt geen sanctie, gezien artikel…

Allemaal veel te fijnmazig en subtiel voor de grove zenuwstelsels van het Grote Publiek en, in zijn kielzog, de actualiteitenshows. Die denken als tl-lampen: aan of uit, waar of niet waar, strafbaar of niet strafbaar. De duim gaat omhoog of omlaag.

En op de brandstapel? Daar belandt de wetenschappelijke waarheid van de nuance.

Christiaan Weijts

Tegenwoordig moet iedereen op reis, met de nadruk op moeten. Als je niet weggaat, dan hoor je er niet bij. Niemand zou ooit zeggen: „Goh, ben jij niet op reis geweest? Dat is interessant. En wat zag je allemaal, op weg van je huis naar je werk?”

Wie de mogelijkheid krijgt, die moet hem pakken. Zoals wanneer je een vrouw bent, je moeder kunt worden. Énig! Maar o wee als je naar je eigen kind kijkt en denkt: „Dit kind hoef ik niet”. Of beter: „Dit kind moet ik niet”.

lees verder