Jan Blokker:
Het verschil tussen Marco en verdachte M.K.
Rondom kapitein Kroon, die vorig jaar als eerste Nederlandse militair sinds 1955 door koningin Beatrix tot ridder in de Militaire Willemsorde (vierde klasse) werd geslagen, lijkt het even stil te zijn geworden. Hij is intussen voor onbepaalde tijd met verlof gestuurd, zijn advocaat doet onderzoek naar de aard van de tegen zijn cliënt ingebrachte beschuldigingen, de minister van Defensie is van mening dat de verdenkingen niets afdoen aan de heldendaden waarvoor Kroon zijn hoge onderscheiding ontving, ik heb al drie dagen geen foto gezien van het café dat hij in ’s Hertogenbosch drijft, en De Telegraaf noemt hem consequent ‘Marco’, waaruit we kunnen afleiden dat redactie en hoofdredactie van het veelgelezen ochtendblad hem bij voorbaar van elke schuld vrijpleiten, anders zouden ze het wel consequent over ‘drugsverdachte M.K.’ hebben gehad.
Johan Huizinga vond het onheroïsche de grondtrek van onze volksaard, en uit alles bleek dat hij dat een mooi nationaal tekort vond. ‘Hoe kan het anders?’, vroeg hij nog retorisch. ‘Een staat, opgebouwd uit welvarende burgerijen van matig grote steden en uit tamelijk tevreden boerengemeenten, is geen kweekbodem voor hetgeen men het heroïsche noemt’.
Van elke dag een ridder zou Wakker Nederland waarschijnlijk wel eens genoeg hebben gekregen. Maar ééntje in de halve eeuw? Zo’n zeldzame Marco willen alle burgers uit matig grote steden en tamelijk tevreden boerengemeenten graag aan hun borst drukken – daar hoeven ze niet eens abonnees van Sjuul Paradijs voor te zijn. Een columnist van de Volkskrant die zich had geërgerd aan een uitspraak van Van Middelkoop, schreef bits, en teleurgesteld in de natie: ‘Wij zijn een land waar je er als een oorlogsheld kennelijk een café naast moet hebben om het hoofd boven water te houden. Laat Eimert daar eens iets aan doen.’
Schande inderdaad dat zo’n man qua kost en inwoning niet allang door de dankbare staat wordt vrijgehouden.
Ik moet bekennen dat het café me intrigeert. Het heet ‘Vinny’, het ziet er van buiten niet meteen uit als een voorname gelegenheid, maar ook niet als een intieme bruine kroeg. Is het een plek waar de hele week cocaïne in- en uitgedragen wordt? Nee, ben je geneigd te denken. Maar je weet het niet meer. In de keurigste straten heb je tegenwoordig bovenetages waar niemand woont, maar waar de wiet tot aan het plafond reikt.
Een gezaghebbend jurist – misschien was het Marco’s advocaat wel, of anders de rechtsgeleerde Buruma, ik lette niet goed op – wees op een aspect aan de zaak dat bij mijn weten niet eerder was belicht. Je moet goed bedenken, was zijn redenering, dat Kroon natuurlijk geen watje is. Kijk naar z’n militaire carrière. Uitzendingen naar Irak, Cambodja, een paar keer Bosnië, drie keer Afghanistan, weer Irak, nog eens Afghanistan, als marinier begonnen, langzaam maar zeker opgeklommen tot pelotonscommandant bij de Commando’s. De Commenado’s! Dat zijn meestal geen figuren die zich met een kopje thee in uw deftige salon op hun gemak voelen, die voelen zich meer thuis in het rauwe landschap van Uruzgan waar ze met blote handen leden van de Talibaan onklaar kunnen maken, en die het per definitie niet lang uithouden tussen de doetjes en de eikels die ons land overwegend bevolken.
De moraal van de spreker was niet eens dat het karakter en de levenswijze van Marco K. als verzachtende omstandigheden moesten gelden voor het onwaarschijnlijke geval dat er in ‘Vinny’ misschien wel eens wordt gesnoven, of een mitrailleur is verhandeld. Zijn moraal was eerder: laten we God danken dat er nog een paar kerels zijn in onze matig grote steden en tamelijk tevreden boerengemeenten.
Wie zouden anders de belofte van Balkenende moeten nakomen dat Nederland de Afghanen nimmer in de steek zal laten?