Archief van berichten op 25 maart 2010

Wanneer spreek je een taal vloeiend? In Nederland betekent een taal vloeiend spreken geloof ik dat je vrijwel geen accent hebt, dat je droomt in die taal en dat je alles meteen begrijpt.

In Amerika wordt met vloeiend iets heel anders bedoeld. Als je ‘fluency’ hebt in een vreemde taal, dan betekent dat dat je jezelf min of meer begrijpelijk kunt maken. Dat mag met handen en voeten, je mag heel veel fouten maken, zo lang je maar begrepen wordt.

Dat is voor buitenlanders een prettige situatie, want je wordt al heel snel de hemel in geprezen. Amerikanen zijn ook niet te beroerd om te zeggen dat je ‘perfect’ Engels spreekt. Ook als dat echt, echt, echt niet zo is.

Daarnaast zijn Amerikanen dol op accenten. Op het moment dat je net het gevoel hebt dat je echt heel erg Amerikaans uit de hoek aan het komen bent, kan je gesprekspartner je vertederd aankijken en verklaren: „I think your accent is absolutely charming!” Charming, dat is wat Amerikanen over accenten denken.

Niet alle accenten, overigens. Een Mexicaans accent wordt hier niet zo heel erg charming gevonden, want dat riekt te veel naar ‘immigrant’ en ‘economische malaise’.

Het andere accent waar Amerikanen niet zo veel mee hebben is het Brits-Engels. Dat wordt gezien als arrogant, bekakt en uit de hoogte. Twee Britten zijn regelmatig op de televisie te zien. De ene is Gordon Ramsey, wiens werk het is om restauranthouders uit te schelden. De andere is Simon Cowell, die kandidaten bij American Idol aan het huilen maakt. Enerzijds vinden Amerikanen het wel interessant dat deze Britten „tell it like it is”, maar ze vinden het ook de twee grootste klootzakken op aarde. Brits Engels riekt dan weer (ook na meer dan tweehonderd jaar) te veel naar ‘kolonisator’.

Met een Nederlands accent zit je hier echter goed, want Nederland doet er toch niet toe. Charming.

Paulien Cornelisse

Het zal mij benieuwen, hoeveel zetels GroenLinks deze week verliest. Kijk, van de SP is het nog wel te begrijpen dat ze van de hypotheekrenteaftrek af willen. Die mikken overduidelijk op een achterban van socialehuurwoningbewoners die hun minimumloon bijeensprokkelen met fysieke arbeid – voor zover ze geen uitkering hebben.

Voor die doelgroep is het gemakkelijk om een leuk verkiezingspakketje samen te stellen. Hun verongelijktheid buit je uit met de belofte van vijf procent meer minimumloon, hun gewrichtspijnen met de AOW op 65, en hun jaloezie met het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek. Zou de SP ook nog iets aan de buitenlanders beloven te doen, dan kon ze ook nog wat PVV-overstappers terughalen als klant.

Voor GroenLinks ligt dat allemaal wat ingewikkelder. Daar vallen ook aardig wat hogeropgeleiden voor die desondanks, en soms ook nog op hogere leeftijd, hechten aan hun links-idealistisch getinte profiel. Niet meteen kraakpanden, ecosapjes en weg met het gezag, maar: groene stroom, fietsen door de Biesbossen en af en toe een eurootje voor de daklozenkrant. Meestal hebben zulke mensen ook Een Eigen Huis, met zelfgekweekte groenten, een bakfiets en een autootje voor de deur.

Met die mensen maak je geen vrienden als je de hypotheekrenteaftrek schrapt. Niet alleen worden leuke huizen moeilijker betaalbaar voor ze, of zien ze de waarde van hun woning kelderen, ook beschikken ze over de minimale intelligentie die nodig is om in te zien dat je de economie hiermee een onverdiend pak rammel uitdeelt.

Los van de stagnatie van de huizenmarkt die ze veroorzaken ondermijnen de linkse voorstellen de koopkracht. De hypotheekrenteaftrek was namelijk ook bedoeld om het afsluiten van een hypotheek aantrekkelijker te maken dan eigen geld in een huis te stoppen. Zo blijft dat geld beschikbaar om benzine, wijn, parfum, zomerjurkjes en vliegreizen van te kopen, waar de economie – en dus ook de staatskas – van opbloeien.

GroenLinks geeft het weldenkende deel van haar achterban deze week een duwtje naar rechts. Maar dat is een bijeffect waarmee valt te leven.

Christiaan Weijts

Het is tijd voor een tussenjas, dacht ik toen ik gisteren, zwetend en rood, in mijn winterjas een brug opfietste.

De tussenjas is een uitvinding van mijn liefste tante L., die in oktober is overleden. De tussenjas is geen zomerjas, en ook geen winterjas, maar iets ertussenin. Een jas voor maart, of september, of, toch ook wel vaak, augustus.

De juiste tussenjas vinden is een kunst, want hij mag niet te warm zijn, niet te koud, niet te lang, niet te kort, niet te donker van kleur, maar ook niet te licht. De aanschaf van een tussenjas is, kortom, een bijna onmenselijke opgave.

lees verder