Renske: Het ritme van de djembé
De meeste mensen hebben wel een favoriet land. Dit zijn mensen die bijvoorbeeld zeggen: „Ik vind de infrastructuur van Noord-Zwitserland bijzonder aangenaam”, of die de rustige inborst en het kundige borduurwerk van de Lapse bevolking prijzen.
Maar bij degenen die een voorkeur voor Afrikaanse landen hebben is het anders. Zij houden van Afrika. Op een intense, hartstochtelijke manier. Zij hunkeren naar de Afrikaanse vlaktes, deinen bij het ritme van de djembé en vereenzelvigen zich met De Afrikaan (blijft toch vreemd, hoe we altijd over Afrika praten alsof het niet een enorm continent is met zo’n 53 landen, maar gewoon één regio met wat banda’s en olifantsgras).
Ik ben op de Afrika-dag van de Evert Vermeer Stichting. Omdat ik een boek heb geschreven over jonge vrijwilligers in Afrika ben ik gevraagd om mee te doen aan een workshop over vrijwilligerswerk. In de zaal zitten veel aankomende of ex-vrijwilligers. Velen lijken me Afrika-fan, sommigen dragen een shirt van kanga-stof of bewerkte armbanden van hout, ik zie zelfs een linnen tasje met de foto van een zwart baby’tje erop geprint.
Tijdens de workshop wordt goed duidelijk waarom het soms zo moeilijk is om het over Afrika te hebben. Vrijwilligerswerk wint nog steeds aan populariteit, maar de gevolgen zijn niet altijd positief. Veel kinderen in Afrikaanse weeshuizen zijn helemaal geen wees, maar zijn daar door de ouders heen gebracht omdat ze daar in ieder geval eten en scholing krijgen. En er komen steeds meer weeshuizen, omdat die via donors en vrijwilligers veel geld opleveren. Het begint booming business te worden: er is zo’n groot aanbod van mensen die vrijwilliger willen worden, dat er vraag wordt gecreëerd.
Maar het is moeilijk om iets dat zo duidelijk uit louter goede bedoelingen voortgekomen is, in een wat kritischer perspectief te plaatsen. De uitwerking wordt onder de loep genomen, uiteraard niet de intenties, maar bij mensen die van Afrika houden kan elke kritiek aanvoelen alsof je hun familie beledigt en bovendien het hele continent het liefst aan een paar luchtballonnen zou willen hangen om het te zien wegzweven. Hun toewijding maakt het persoonlijk: je bent vóór of tégen Afrika. Of je omarmt het continent en deint op het ritme van de djembé, of je hoort bij het andere kamp, dat ontwikkelingshulp wil afschaffen en vindt dat iedereen het maar voor zichzelf moet uitzoeken.
Maar er zijn niet twee kampen, en juist bij zulke ingewikkelde thema’s moet er plaats zijn voor nuance. Ook bij liefdevolle hulp en ‘goed doen’ is het belangrijk om kritisch te blijven kijken. Doordat het simpele vragen zijn: wel of niet als vrijwilliger op pad, wel of geen ontwikkelingshulp, lijken er – ten onrechte – ook simpele antwoorden mogelijk.



