De uitgever heeft voor dit artikel geen publicatierecht
Archief van berichten op 11 juni 2010
Als ik op 9 juni tussen kwart over elf en half twaalf ’s avonds naar de verkiezingsshow van de NOS zit te kijken, en elk van mijn zenuwen staat stijf in mijn lijf over de vraag of een wijs man als Cohen mijn minister-president wordt, of een rondzoenende branie als de eeuwige student Rutte. Wat is dan het allerallerallerlaatste waar ik nieuwsgierig naar ben?
Naar de uitslagen van Dirksland, Goeree-Overflakkee, achtduizenddriehonderd inwoners, opkomst 76,9 procent, Trots op Nederland 0,2 procent.
In de hoek van de kamer staat een vlag, de airco staat hoog maar valt af en toe uit. De man tegenover me lacht me charmant toe. „Jouw land heet in het Frans Pays-Bas, maar de inwoners zijn juist zo lang”, zegt hij. „De langste van de wereld, niet?” Ik knik. Hij reikt naar zijn bureau en pakt een kaartje. „Hier. En niet letten op de fout”, zegt hij, „ik weet dat het niet klopt.” Op het kaartje staat Dr. Ibrahim, Cheif of Media Relation of Hezbollah.
Wanneer ik met Libanese vrienden door Beiroet loop, zijn er twee dingen waar ze vaak de aandacht op vestigen: plekken om te feesten en plekken die met de oorlog te maken hebben. Ook tijdens de feestjes gaat het vaak over het conflict met Israël, over de vernederingen, het machtsmisbruik en de voortdurende bezetting. En over Hezbollah. De steun voor Hezbollah lijkt hier groot, ook bij niet-shi’ieten. „Het zijn goede mensen”, wordt er vaak gezegd. „Het zijn vrijheidsstrijders.” Een vriend van me vertelt dat in Beiroet het Hezbollah’s Press Office zit. „Je moet langsgaan,” zegt hij. „Ze verwelkomen je met open armen. Ze nemen je zelfs mee op een tour.” Het idee van een georganiseerde Hezbollah-tour klinkt zo onwerkelijk dat ik meteen opbel. Na een kwartier Bach als wachtmuziekje maak ik een afspraak.



