Waar vielen we ook al weer om? Was het niet de belofte aan de kiezer van de man die de weeïge toon en boodschap tot zijn handelsmerk had gemaakt?
Drie maanden zijn niks en een eeuwigheid. Maar wie hem daar vorige week zo tussen het klapvee zag staan, toen het humorloze alter ego van Mr. Bean nog dacht premier te kunnen worden, kon niet anders dan kokende woede hebben gevoeld. Zo ontspannen, in spijkerbroek en op gympen, helemaal vader, en zichtbaar gelukkig om geen deel meer uit te maken van de rotzooi die hij zelf had aangericht.
Het ging toen om Afghanistan – opeens. En de man met de verkleurde haardos en de monotone haatcampagne spon er garen bij. De uitkomst werd onbedoeld een afspiegeling van de toon die Wouter internationaal had gezet: dat Nederland een land was geworden dat menselijk geluk buiten de eigen grenzen onbelangrijk vond. Thuis dacht inmiddels een goeddeel van de bevolking er net zo over, aangespoord door de schetterende haardos. Het ging niet langer over idealen, maar over de eigen portemonnee, het uitzicht vanuit de huiskamer, de staplek op de camping en de beurt bij de groenteboer, bevrijd van alle exotische voorkruipers.
Compassie? Mededogen? Afghanistan was ver weg. Heel ver weg.
Ondertussen ging het daar alleen maar slechter. Sinds wij die oorlog hadden helpen ontketenen, en er praktisch waren afgetaaid omdat Wouter de kinderen ging doen, was het moeras nog dieper geworden. Dat was de rechtse harken in Nederland, die alleen hun eigen tuintje nog wilden doen, een biet. Maar de feiten logen er niet om. Onze verkiezingsweek was de bloedigste in Afghanistan in maanden.
De secretaris-generaal van de NAVO was vrijdag een somber man. Het ging daar niet goed, zei hij over het moeras. En de Amerikaanse minister van Defensie, sprak van ‘een lang en moeilijk gevecht’. Niet dat Nederland werd gemist, dat was niet het punt, het ging om het nemen van verantwoordelijkheid.
Maar dat was een woord dat in die bewuste juniweek uit de Van Dale kon worden geschrapt.
Floris-Jan van Luyn



