Renske: De Rotzooimaker

Ik heb mijn koffer nog steeds niet uitgepakt. Het is ongeveer een week geleden sinds ik terugkwam. Sommige mensen vinden dit nogal goor. Om precies te zijn: mijn vriend. Al dagenlang kijkt hij naar mijn koffer, die midden in mijn kamer prijkt. „Er zit vieze was in die koffer”, zegt hij dan met weerzin. „Die is nu aan het gisten en schimmelen en broeden en sissen en straks groeien er zwammen uit je hemdjes.” „Jaja”, zeg ik dan, terwijl ik naar de tv blijf kijken. „En je kunt nu ook niet vrijuit lopen in de kamer”, gaat hij verder. „Ik ben gewoon flexibel”, werp ik tegen. „Daar zul je nog blij om zijn, als we ooit stranden in de oerwouden van Ecuador waar we op lamazweet moeten overleven.”

De verdeling bestaat binnen elke relatie: de Rotzooimaker en de Opruimer. Ik ben een Rotzooimaker. Ik noem het zelf overigens niet per se ‘rotzooi maken’, ik zie het meer als kortetermijndenken. Dat gaat zo: ‘hee, koekjes! Ik moet nog mijn haar borstelen. Waar is de krant nou? Ik ben alweer te laat voor een afspraak. En ik draag een pyjama. Waarom eigenlijk? Omkleden. Nog een keer omkleden. Ieuw, droge bek van die koekjes, snel melk. Schoenen zoeken. Waar is mijn haarborstel?’ en in die tijd is er alweer een uitbundig spoor van zooi ontstaan. Het is bijna een onbedoelde goocheltruc: als ik een brandschone hotelkamer binnen kom is het binnen vijf minuten een troep. Maar het punt is: ik vind dat niet zo erg. Ik kan heel goed leven met stapels twijfelachtig papierwerk, bakjes met paperclips, USB-sticks, Ibuprofenpillen, gelukspoppetjes en niet meer werkende pennen, of een stoel die bedekt wordt door mijn halve kledingkast. Ik ben de Rotzooimaker. Dit is mijn habitat.

Voor mijn vriend is dat anders. Hij kan niet meer goed nadenken als er rotzooi in de buurt is. Zijn administratie heeft labels, er zit altijd een was in de machine en als de chemokar komt weet hij ook daadwerkelijk waar de verzamelde batterijen liggen. Toen ik een tijd moest wachten op mijn nieuwe huis, logeerde ik bij hem. Dat was ontzettend leuk, maar nadenken kon hij niet echt meer. Na een tijd was hij het zat. Hij besloot op te houden met opruimen. Als straf.

Maar ik merkte er niets van. Vrolijk banjerde ik door het steeds viezer wordende huis, terwijl hij ondertussen met braakneigingen naar de wit uitgeslagen wastafel keek. Uiteindelijk werd het zo’n straf voor hemzelf, dat hij weer begon met schoonmaken. Waarna we strenge afspraken hebben gemaakt (geen gebruikte wattenstokjes op de wastafel, ook al staat dat zo ‘gezellig, alsof ze een vergadering hebben’.

Maar hij heeft niets te zeggen over mijn koffer in mijn huis. Kan dat echt, van die paddestoelen?