Het was dit weekeinde Veteranendag in Den Haag. En terwijl de fly past de boomtoppen van Clingendael deed sidderen, moest ik denken aan Otto Abraham: de vader van mijn schoonvader die net geen veteraan was geworden.
Vorig weekeinde, op Vaderdag, stonden we met zijn allen aan zijn graf. Het was de eerste keer na zijn dood in het voorjaar van 1945 dat de zoon een tastbaar bewijs had gevonden van zijn gesneuvelde vader. Van zijn Duitse vader welteverstaan, want Otto was geboren en getogen in Pommeren.
Dat hij een baantje had weten te vinden in Berlijn, als chauffeur bij het Reichsluftfahrtministerium werd als een godswonder ervaren door de boerenouders van Otto. De foto’s uit die tijd tonen een lange, goed ogende man in chauffeurskostuum en kaplaarzen, één been trots op de trede van een sierlijke Mercedes-Benz. Het verhaal wil zelfs dat Otto Hermann Göring door de straten van Berlijn zou hebben gestuurd.
Het was duidelijk niet de tijd van de onschuld, en binnen de kortste keren werd Otto onder de wapenen geroepen. Zo belandde hij als vrachtwagenchauffeur onder Erwin Rommel in Afrika. De overlevering situeert hem nog ergens in Sicilië, maar over de tijd daarna tastte de familie in het duister. De jobstijding volgde in december 1945, in de vorm van een zorgvuldig bewaarde brief van enkele regels lang. Otto was gesneuveld.
De zoon groeide op zonder vader, verhuisde naar Nederland, en liet het verleden rusten. Totdat hij, wél een oude man geworden, ging neuzen in vergeten archieven. Het briefje dat zowaar tevoorschijn kwam, vermeldde alleen een plaatsnaam en een grafnummer.
En zo stonden wij, 65 jaar na zijn dood aan het oorlogsgraf van Otto Abraham, even over de grens bij Winterswijk in Burlo – derde rij, achtste graf. De graveurs van zijn zerk meldden alleen zijn dood, op 24 maart. Twee dagen daarvoor had een zwaar geallieerd bombardement plaatsgehad.
Niemand die bedenken kon waartoe zijn dood had bijgedragen. Maar de zoon had zijn vader weer terug. Tot stof geworden en in steen gehouwen.
Floris-Jan van Luyn



