Tijdens het WK zie ik vrijwel dagelijks een interessante Pavlov-reactie voorbijkomen. Stel je voor: je hebt maanden gespaard om in Zuid-Afrika een wedstrijd van jouw nationale equipe te zien. Je bent er een oceaan voor overgevlogen. Betaalde veel te veel voor een koloniaal aandoend toeristenhotel. En nu zit je op de tribune. Klaar om jouw elftal te zien winnen. Lang lijkt dat te lukken. Maar opeens gaat het mis. Je spits mist een enorme kans. De tegenstander slaat even later wél genadeloos toe. Dag WK. Alleen een wonder kan jouw team nog redden. Maar jij gelooft er al niet meer in. Rillend van de kou zit je op de tribune. Verslagen. Maar dan. Je knippert even met je ogen. ‘Ben ik dat écht?’. Op de gigantische stadionschermen is jouw hoofd te zien. Je springt op. Juicht! Zwaait met je vlag. Je team vliegt over een paar minuten uit het toernooi, maar jij bent even dolgelukkig. lees verder›
Archief van berichten op 5 juli 2010
Wanneer de ganse natie in extase verkeert over een spelletje voetbal, dan is het onkies je daar tegen uit te spreken. Als je aardig bent ontneem je nu eenmaal niemand zijn plezier. Ongeacht het niveau. Iedereen die een feestje verpest verdient het om samen met de moslims het land uit te worden gezet.
Ik kan niet tegen voetbal. Ik vind het een stom spel dat stomme reacties oproept. En het is een vreselijke verspilling van energie. Vooral in deze tijd. Zet al die rennende mannen op een loopband en je verlicht er een complete wietplantage mee.
Waarom ik dat vertel? Omdat alle geheelonthouders er mee worden doodgegooid. We hebben geen keus. Het is voetbal voor en na. Geen straat zonder ballen, geen bal op de televisie, geen gesprek zonder opstelling. De gebakjes zijn oranje en Beesies kun je voor je fatsoen niet weigeren.
Maar wat het allervervelendste is: gekte is aanstekelijk. Als ik tijdens de momenten van nationale visuele anesthesie recalcitrant de schuurmachine ter hand neem om de kozijnen van mijn huis te ontvellen, en met veel lawaai de verplichte stilte doorbreek, dan spoed ik me bij uitzinnig buurtgerucht met gevaar voor eigen leven de ladder af om het gewonnen schot in de herhaling niet te missen.
Het is tenslotte alleen maar houding. Niets leuker dan zeggen ‘wie tegen wie?’ wanneer Nederland speelt. Akkoord, het wordt nooit het schaatsgevoel, maar massale uitzinnigheid is wel besmettelijk.
De grens ligt zonder twijfel bij het ‘wij-gevoel’ – wanneer wíj hebben gewonnen. Ik zie vooral vadsige mensen onderuitgezakt op de sofa. Potje bier tussen de benen. En nadat zíj hebben gewonnen, verschijnen ze gewoon weer op straat om als vanouds voor te kruipen in het leven. Waren we maar echt wij.
Misschien dat de Turk op de hoek mijn weerzin kan temperen. Die verkocht na de 2-1 met de Nederlandse vlag om zijn schouders geslagen zijn autochtone voordringers hun nationale bier. Ik vond dat ontroerend. Als hij het kon, waarom ik dan niet? De volgende wedstrijd staat de schuurmachine uit.
‘Een informateur’, schreef Felix Rottenberg twee weken geleden in Het Parool, ‘moet verwarring zaaien, pauzes inlassen en de druk met nachtelijke telefoongesprekken langzaam opvoeren’ – en hij ontsloeg op papier het oliemannetje Rosenthal dat alles verkeerd deed. Zijn keuze viel vervolgens op Jaap Burger, die in 1973 de ‘onmogelijke’ coalitie tussen christenen en progressieven voltooide. De heer Burger bleek helaas overleden, maar Felix, die haast had, presenteerde dezelfde week zijn derde kandidaat: Alexander Rinnooy Kan.



