Jan Blokker:

Joseph Goebbels en Walter Ulbricht

‘Een informateur’, schreef Felix Rottenberg twee weken geleden in Het Parool, ‘moet verwarring zaaien, pauzes inlassen en de druk met nachtelijke telefoongesprekken langzaam opvoeren’ – en hij ontsloeg op papier het oliemannetje Rosenthal dat alles verkeerd deed. Zijn keuze viel vervolgens op Jaap Burger, die in 1973 de ‘onmogelijke’ coalitie tussen christenen en progressieven voltooide. De heer Burger bleek helaas overleden, maar Felix, die haast had, presenteerde dezelfde week zijn derde kandidaat: Alexander Rinnooy Kan.

Het loffelijke tempo dat hij zo ontwikkelde, kreeg vertraging toen Nederland pas in de vierde week ontdekte dat het de PVV – grootste verkiezingsoverwinnaar met vijftien zetels – onrecht deed door haar niet alsnog over een kabinet te laten mee-onderhandelen. Rottenberg, de Thomas L. Friedman van de Amsterdamse New York Times, ontwierp onmiddellijk een plan, en vatte de hoofdlijnen samen voor zijn zaterdagslezers.

De eerste alinea is nog niet voorbij of er staan al twee verrassende formateurs klaar: Hans Wiegel en Geert Wilders. Wiegel – sinds jaar en dag bekend van vroeger – is Felix’ ideale man, die snel een kort regeerakkoordje geschreven heeft (alle pijnpunten van de Partij voor de Vrijheid present), die ‘als een sluipmoordenaar’ het CDA bewerkt om de coalitie VVD-PVV te gedogen, en de roomse Hans Hillen overhaalt om tot het kabinet toe te treden als vicepremier en minister van Economische Zaken. En wie doet op dringend verzoek van Wilders Financiën, terwijl Wilders zelf op dringend verzoek van Wiegel Binnenlandse Zaken neemt (om de politie direct op knieschoten te kunnen instrueren), en Marco Pastors de Vogelaarportefeuille krijgt? Felix is nog geen driekwart met z’n column onderweg, of z’n ploeg zit al in de Trèveszaal.

Genie? Beunhaas? Negentiende-eeuwse tinnegieter? Romanticus die gelooft dat je politiek alleen maar kunt bedrijven ‘in nachtelijke gesprekken’ die hij in deze aflevering van z’n soap laat voeren tussen de oude vrienden Wiegel en Van Agt, welke laatste moet inzien dat je de winnaar van de verkiezingen niet de oppositie in mag drijven. ‘Wilders en zijn kiezers mogen niet in het isolement worden gedreven’, preekt de strateeg die niemand zo heeft horen kwekken toen de SP in 2006 nog méér won. ‘Dat blijft de moeilijkste en belangrijkste opdracht voor de komende weken’.

Wat bedoelde hij nou precies? Dat Tjeenk Willink liefst nog vandaag probeert het Paars-plus-droompje van Pechtold uit diens hoofd te praten, omdat Paars iets betekende in 1994 toen D66 25 zetels had plus Hans van Mierlo, wat je toch moeilijk kunt vergelijken met 10 zetels plus Alexander Pechtold?

Maar ik vrees dat Rottenberg – alleslezer – een beetje heeft zitten snuffelen in de tientallen boeken en geschriften die ooit zijn verschenen over de laatste jaren, de laatste maanden, de laatste dagen en de laatste uren van de Weimarrepubliek, toen politieke dromers als Papen, Streicher, Strasser en Hitler op hun kans loerden en allemaal de aanstaande dictator wilden ‘inkaderen’ – waar Felix in zijn allegorie dus de weergaloze Wiegel voor dacht te gebruiken.

Felix moet een mooi citaat van Sebastian Haffner (Von Bismarck zu Hitler) gemist hebben. ‘De nationaal-socialisten’, schreef die, ‘slingerden voortdurend tussen links en rechts. In 1932 lieten zij zich vooral van hun ‘linkse’, populistische kant zien. Dat ging zo ver dat zij bij een staking bij het openbaar vervoer in Berlijn in november 1932 met de communisten samengingen. Er bestaat een foto uit die tijd met Joseph Goebbels en Walter Ulbricht samen op hetzelfde spreekgestoelte’.

Ik heb nog twee vragen. Waarom lijkt Felix vooral bewondering te hebben voor oudere politici als Jaap Burger, Hans Wiegel, Hans Hillen, Alexander Rinnooy Kan en Dries van Agt – en denkt hij zo aan 1933?

En houdt zijn jonge vriend Maurice de Hond nog steeds gretig bij hoe groot de PVV zou zijn als er vandaag was gekozen?