Gisteren was het een goede dag voor kinderlozen, paardenliefhebbers, grootouders, thuiswerkers, huisvrouwen, kantklossers, timmermannen, mijnwerkers, moeders, voddenmannen, armen, zwangeren, naaisters, onvruchtbaren, turners, stalknechten en verloren voorwerpen van Roomse huizen. Want het was de naamdag van hun beschermheilige: de moeder van de Heilige Maagd.
En in het Oostenrijkse dorp waar ik al een kwart eeuw op familiebezoek kom, gaat dan traditiegetrouw de Meiboom tegen de vlakte – om precies te zijn: 37 meter hoog sparrenhout dat onder aanmoediging van een gegrild haantje met de vaste hand van de plaatselijke houtvester langs de rode hoofden van de aangeschoten dorpelingen suist – midden op het plaveisel van de hoofdstraat.
Niet dat het volkse gebruik ook maar iets met het christendom van doen heeft, maar daarin is de kerk hier van oudsher slimmer dan, zeg, die in Haarlem. Als in dat bisdom een pastoor in oranje kazuifel de Heilige Handelingen verricht, wordt hij meteen op non-actief gesteld, volle kerkbanken of niet. Ballenliefde zorgt binnen de kerk in Noord-Holland voor meer onrust dan seks met minderjarigen.
Maar in de beschutte dalen van de Oostenrijkse periferie heeft de kerk al sinds mensenheugenis door dat het profane en het heilige af en toe een rondedansje moeten maken. En dus speelt de plaatselijke kapel lichte muziek, krijgen de kinderen rozenkransen in speelse kleuren plastic, en begeleidt de burgemeester het hakken van de boom met de ritmische halen van zijn trekzak. Zoveel gemoedelijkheid onder gebroederlijke aansporing van pastoor en burgervader moet haast wel leiden tot geestelijke en wereldse loyaliteit.
Of het de afstand tot de wereldproblematiek is, waar de realiteit van entertainment en materiële afleiding nog niet tot iedere huiskamer is doorgedrongen? ‘Ah geh!’, zegt de houtvester, ‘natuurlijk niet!’ Alsof in het Stiermarkse Ennstal geen telefoonlijnen, internetverbindingen, tvkabels en krantenabonnementen bestaan. Nee, het is het uitzicht en de schoonheid van zijn dal die harmonie afdwingen. En dat, zegt hij, weet hij zo zeker als het voorspellen van de plek waar zijn geknakte Meiboom landt: bovenop zijn hoed, die hij vooraf op straat heeft gelegd.
Floris-Jan van Luyn



