Archief van berichten op 2 september 2010

In CDA-kringen worden oudere partijleden de laatste tijd vaak aangeduid als ‘de oude olifanten’. Jaap de Hoop Scheffer zei bijvoorbeeld „geen enkele ambitie te hebben om tot die kudde oude olifanten toe te treden”.

Volgens mij is dit een relatief nieuw gebruik van het woord ‘olifant’. Kamerolifant, dat kon wel al. Een olifant in een porseleinkast kennen we ook. De politieke olifant is echter zeldzamer. Sporadisch duikt hij op, soms als ‘partij-olifant’. Niet alleen bij het CDA, ook bij andere partijen kwam deze diersoort al voor. Maar nu ineens is hij alom aanwezig.

Misschien was het per ongeluk. Vaker hoor je ‘mastodont’. Dat is een kolossale prehistorische voorloper van de olifant, die inmiddels uitgestorven is.

Iemand uitschelden voor uitgestorven diersoort, dat begrijp ik. Maar een oude olifant? Alleen over een heel dik iemand zou je dat nog wel eens kunnen zeggen, maar dan heel zachtjes en buiten gehoorsafstand.

Iemand voor een dier uitmaken is op zich over de gehele wereld een populaire bezigheid. De hond wordt hiervoor veel misbruikt (luie hond, laffe hond). „Jij ezel!” kon je lange tijd uitroepen, maar nu alleen nog als je acteur bent in een kostuumdrama. Iemand kan een serpent zijn, een oorwurm, of (meer ongedefinieerd) een ‘onderkruipsel’. Een pissebed, een jakhals, en vooruit: een grachtengordeldier – het kan allemaal. „Ze is een beetje een muizig type” kun je zeggen. Rattig kan ook.

Net zoals dieren gebruikt worden om te schelden, kunnen ze ook dienen om liefkozingen te uiten. Mijn hondje, mon petit lapin, dag klein lieveheersbeestje van me.

En dan zijn er nog de twijfelgevallen. Ik heb ‘rare vogel’ zowel geërgerd als vertederd horen gebruiken. Huismus is ook niet per se negatief. En er bestaat een bepaald type vrouw dat wordt aangeduid als ‘juffrouw Mier’, maar dat refereert natuurlijk aan het personage uit de Fabeltjeskrant.

‘Olifant’ is dankzij het CDA nu breder inzetbaar om iemand mee te karakteriseren. Eindelijk iets wat deze lange formatie ons heeft opgeleverd.

Paulien Cornelisse

Ferme wil, zeurpiet, piketpaaltjes, ja mits, nee tenzij, mastodonten: de woorden van de politieke zomershow klinken nu al nostalgisch. Dat krijg je als de partij voor spruitjes, God en geraniums zich te pletter rijdt tegen de partij voor Henk en Ingrid.

De tegenstellingen mogen dan onoverbrugbaar zijn gebleken, beide partijen streefden diep in hun harten naar dezelfde oud-Hollandsche gezelligheid.

Mieters was het, jottem! Vooral de spreekstalmeester van het circus, CDA-interimbaas Henk Bleker, was fascinerend. Je zag hoe hij met tegenzin veranderde in de Mat Herben van het CDA, met z’n LPF-achtige toestanden. Bij elk interview verwachtte je dat die man elk moment kon breken, en zou verzuchten: ‘Ach weet u, ik ben het ook spuugzat met die partij, met die ego’s en hun gezeik. En wie mag het nu allemaal gaan opknappen voor de camera? Juist, gekke Henkie. Maar weet u wat? Ik kap ermee, ze zoeken het maar uit. Ik ga lekker op vakantie met Ingrid. Voor mijn part doeken ze de partij op.’

De grote winst is uiteraard dat dit laatste nu zeer serieus overwogen moet worden. Overal in Europa zien we de christen-democratie ineenstorten – van het Duitse CDU, het Belgische CD&V, tot Spanje, Frankrijk en Italië – ten gunste van populistisch-nationalistische stromingen.

De christelijke ideologie heeft z’n tijd als middelpuntzoekende kracht in de samenleving gehad. De nieuwe collectieve krachten dragen onder de valse vlag van vrijheid een schijnliberalisme binnen. Om welzijn te beloven aan de gewone man perken ze de vrijheid in van de ongewone man (immigrant, kunstenaar, gelovige, grachtengordelbewoner, designbrildrager).

Dat er vanuit de VVD zo weinig kritiek kwam op de PVV, bewijst helaas dat het slecht gesteld is met ons liberalisme.

De VVD kan het goedmaken, door alsnog breeduit te lekken hoeveel Wilders allemaal bereid was in te leveren van z’n sociale programma.

Maar zelfs dan weet Wilders de gewone man er vast van te overtuigen dat dit allemaal kletspraat van zeurpieten is. Daarin is hij sterk. Daarin is hij een verbluffend ongewone man.

Christiaan Weijts

Toen ik mijn fiets van de paal losmaakte, had ik nog niets door. Maar na het wegfietsen zag ik het opeens: mijn bel hing als een dood beestje ondersteboven aan mijn stuur. Ik probeerde hem om te draaien en te reanimeren, maar hij viel eraf en stuiterde in tinkelende stukjes over het fietspad. Toen ik de resten fietsbel in een prullenbak gooide, dacht ik: ach, het was gelukkig alleen maar mijn bel.

O, argeloze onwetendheid.

Een fietsbel blijkt in het Amsterdamse stadsverkeer namelijk het verschil tussen ‘dood’, en ‘dood maar je kunt tenminste nog met een verontwaardigd TRING-TRING duidelijk maken dat je het er helemaal niet mee eens bent’. De fietsbel is je houvast, een lichtpuntje hoop, de enige kans op een minuscuul beetje waardigheid in die verderfelijke stadsjungle.

lees verder