Renske: Mijn latex jurk

Het is niet bepaald een alledaagse vraag: een vriendin belde me op en zei: „Heb je zin om een keertje doorbitch te zijn bij Wasteland?”

Een doorbitch bij Wasteland. Dat is iemand die ongenaakbaar de poort tot het feest bewaakt, die nietsontziend oordeelt over de outfits van de gasten, die met een hooghartig gebaar mensen de toegang ontzegt, nooit de discussie aangaat en onverschillig is voor gesoebat of gejammer. Ik denk dat ik nog meer karaktereigenschappen deel met een pantoffeldiertje.

„Ehm”, zei ik. „Oké?” Ik denk dat mijn aarzelende ‘oké’ al genoeg was om flinke twijfels te hebben over mijn doorbitchkwaliteiten, maar de vriendin was opgetogen dat ik toestemde.

Toch wilde ik het echt graag doen. Bij vrienden en familie vind ik het nooit moeilijk om nee te zeggen of ‘jeeeeeezus doe even normaal hee hallo!’ te roepen. Bij vreemden vind ik dit echter het allermoeilijkste.

Asociale mensen op de fiets, onbehouwen figuren in de supermarkt of onbekenden die boos op je worden terwijl het echt hun schuld was: ik rol me het liefste op tot een balletje en wacht tot het over gaat. Dit eenmalige baantje was dus een psychologisch onderzoek. Een zoektocht naar mijn inner bitch.

Wasteland is een fetisjfeest met een strikte dresscode: je mag alleen in leer, latex, rubber of een uniform naar binnen.

Als doorbitch moest ik zelf dus ook in een onberispelijk pakje: een knielange latex jurk die aanvoelde alsof ik een hele dunne binnenband aantrok en die waarschijnlijk nooit meer van mijn huid zou wijken, zwarte handschoentjes en een hoge hoed. Bij de visagist kreeg ik nepwimpers op en extra eyeliner: „Je hoofd is een beetje te aardig”, verklaarde ze.

Uiteindelijk stond ik bij de entree, gewapend met een zweepje en Leo, de leukste portier van de wereld. De eerste gasten stonden in de rij, ik rechtte mijn rug en liet een stelletje dat geheel gehuld ging in glanzend lak met een kort hoofdknikje naar binnen. Niemand zei: ‘wat een piepstem’: ik was de doorbitch.

Na een bonte stoet mensen gekleed in leren broeken, glimmende verpleegsteruniforms, Romeinse gladiatorrokken, drag en tattoo’s, voelde ik dat standvastig zijn minder moeite kost als het je opdracht is. Sommige mensen waren vriendelijk, anderen zeiden na een weigering fel: „Je hebt zeuren en zeuren, ik kom al drie jaar zo binnen en ik loop nu verder, bitch.” Maar ik bleef als een rotsvast blok staan en zei: „Nee het mag echt niet sorry daar kunt u wat kopen oké doei.” Rotsvast.

Toen ik na het werk in joggingbroek door het feest naar buiten liep (een wandeling van surrealistische proporties) dacht ik: misschien kan ik deze strengheid vasthouden. Voor mensen die praten in stiltecoupé´s, bijvoorbeeld. Maar op zo’n moment zou ik waarschijnlijk toch iets te veel mijn latex jurk missen. Of Leo.