Paulien Cornelisse: Vervloekt

‘Vloeken is onnodig!’ staat er op posters op het station. Die zijn van de Bond tegen het Vloeken. Ik denk dan altijd: „Deze poster is onnodig.”

Achter „Sjips” voel ik een héél grote berg shit

Want wat is onnodigheid eigenlijk? Welke taal is wél echt nodig? Alleen uitroepen als „Help!” „Vuur!” en „Pas op!” lijken me echt nodig. Voor de rest is het toch maar een hoop onnodig gebabbel, gezeik, gekeuvel, geklaag en niet te vergeten veel onnodig gebid.

Laatst werd Youp van ’t Hek geïnterviewd in de College Tour, door studenten van de Vrije Universiteit. Een jongen die vanuit al zijn poriën „CHRISTEN” wasemde vroeg Youp of hij wat minder krachttermen zou willen gebruiken. Youp reageerde eigenlijk wel charmant, zei dat hij er op zou letten, maar dat het hem nooit lukt. Dat is slimmer dan er een hele strijd van te maken.

Omdat ik een kind was in de jaren tachtig, in een ongelovige omgeving, mocht schelden gewoon. Dat was in feite juist goed, want we gingen er godverdomme met z’n allen voor zorgen dat de zeehondjes gered zouden worden. Iedereen die ik ook maar enigszins vervelend vond, noemde ik een kutwijf, en dat was redelijk geaccepteerd. Mijn moeder zei nog weleens ‘nou nou’, maar dat was meer voor de vorm.

Je had wel juffen die zeiden dat je in plaats van „Godverdomme” „Pot vol blommen” moest zeggen. Dat vonden we licht absurd en niemand ging erin mee. De juffen in kwestie accepteerden dit gelaten.

Inmiddels zijn opvoeders lang zo modern niet meer. Ik hoor kinderen in ieder geval een stuk minder vaak „God!Ver!Dom!Me!” roepen. Wel hoorde ik een beschaafd kind op straat vanuit de grond van haar hart „Sjips!” schelden. „Sjips” is het „Pot vol blommen” van nu.

Het gekke aan dit soort ‘beleefd schelden’ is dat je aandacht er alleen maar meer op gevestigd wordt. Als iemand „Shit” wil zeggen, maar helemaal de moeite neemt om dat om te vormen tot „Sjips”, dan moet het wel héél hoog zitten. Achter „Sjips” voel ik een héél grote berg dampende shit.

Een tijd geleden bevond ik mij in een EO-gezelschap. In dit gezelschap was een persoon die, uit pure frustratie over een lift die niet kwam, uitriep: „O, grutjes!” Dit was iemand van in de twintig. „Dzjiezus”, dacht ik. Maar ik zei het niet.