Renske: Vispizza
De gebakken vis is goed hier, zeker. De aardappelen meestal ook. Maar de puree laten de meesten staan. Die is gewoon niet lekker klaargemaakt.” De toon waarop de man het aan me vertelt, is bijna verontschuldigend, alsof hij duidelijk wil maken dat hij geen klager is, geen diva met een waslijst aan onhaalbare culinaire wensen, geen zure oude man met een permanent slecht humeur. Maar ook zonder zijn verontschuldigende toon had ik hem geloofd.
Elke veertien dagen begint het menu weer van voren af aan: kool, spinazie, lof, boontjes
Voor onze avond over eten in verzorgingshuizen lunch ik samen met medeorganisatoren Karlijn en Andreia een dagje met bewoners mee. Bij de gedachte aan verzorgingshuiseten doemen bij mij beelden op van doorgekookte spruitjes die uiteenvallen als je ertegen blaast, lapjes taai vlees en puree gemaakt van poeder. De man die bij mij aan tafel zit – rond de zeventig, een zacht maar expressief gezicht, gekluisterd aan een indrukwekkend uitziende rolstoel waar op de achterkant van zijn hoofdsteun een uitgeknipte kop van een krantenartikel is geplakt: ‘eindelijk 130 km!’ – vertelt me dat het niet eens zozeer de smaak is die tegenvalt: het is voornamelijk de herhaling. Elke veertien dagen begint het menu weer van voren af aan: kool, spinazie, lof, boontjes, een stukje vlees of vis en uiteraard aardappelen, gekookt, gebakken of puree. Steeds weer hetzelfde, een eindeloos draaiende carrousel – omdat de bewoners dat prettig en geruststellend zouden vinden: vroeger had ook elk gerecht een vaste dag. Er was een tijd dat de bewoners nog zelf hun maaltijd mochten kiezen: op een formulier kon voor de daaropvolgende dag het gewenste menu aangekruist worden. Nu bepaalt een diëtiste wat er gegeten wordt, krijgt iedereen hetzelfde menu en is de bloemkool zo zacht als de zwakste tanden van de afdeling: „Ik zou liever knapperige groenten willen, maar er zijn er nogal wat met een kunstgebit. En nog steeds is het de op één na meest gehoorde klacht: de groenten zijn te hard. De meest gehoorde klacht gaat over de temperatuur van het eten – alles wordt op de afdeling opgewarmd en soms kunnen de maaltijden dan alweer wat zijn afgekoeld.”
Hij vertelt verder over de eetzaal, over de plastic placemats waar soms schimmel op zit doordat ze de avond daarvoor nog nat zijn opgeborgen. In de zaal eet iedereen samen. Iedereen zit er met een andere gemoedstoestand, de een heeft meer hulp nodig dan de ander, de een voelt zich beter dan de ander. „Soms zit er iemand in de zaal te schreeuwen en te vloeken. Die wordt dan meestal wel even weggereden, maar eigenlijk is de sfeer dan al verziekt. Een tijdje geleden kwam er de mogelijkheid om beneden in de bistro te eten. Dat doe ik nu”, vertelt hij verder. „Eerst samen met vijf anderen, maar de meesten zijn inmiddels overleden. We zijn nu nog met zijn tweeën. Maar dat is ook heel gezellig hoor”, zegt hij, en glimlacht me toe.
Als ik vraag welk gerecht hij nog wel een keer zou willen eten, denkt hij even na en verzucht vervolgens: „Een vispizza. Ja, dat zou ik nog wel eens willen.” Ik heb, denk ik, nog nooit iemand bij het woord vispizza zo verlekkerd zien kijken.



