Renske: Schreeuwen

Een tijdje geleden sprak ik met iemand over vechtsporten. Hij vertelde me dat hij ervan overtuigd was dat het voor veel mensen een goed idee zou zijn om een vechtsport te leren, zeker ook voor vrouwen. „Al was het alleen maar om te leren schreeuwen”, benadrukte hij. Zelf zou ik eerder andere dingen op het leerplan zetten, zaken als ‘soepel iemands bovenste overhemdknoopje openschoppen’, of ‘onderwezen worden in de eeuwenoude oriëntaalse druktechniek om met één vingertop iemands hart te laten stoppen’. Maar hoe meer ik erover nadacht, hoe meer ik de man gelijk gaf: ook ik zou een les in schreeuwen kunnen gebruiken.

De gorilla die in je zou moeten huizen doet meer denken aan een pluizig resusaapje

Ik kan me de laatste keer dat ik oprecht schreeuwde niet herinneren: in de achtbaan piep je, naar bekenden aan de andere kant van de straat roep je, als je schrikt gil je. De levendigste herinnering aan mijzelf schreeuwend, is als ik zonder het te weten al een tijdje in capslock aan het typen ben en weer eens op mijn scherm kijk.

Schreeuwen op commando is nog lastiger. Je zou denken dat je slechts je mond hoeft te openen om een diepe, ronkende en doorleefde brul uit je borstkas te laten ontsnappen. Misschien is het onze beschaving, of zijn het die dunne muren die in de jaren 50 overal zijn neergezet, maar het voelt inmiddels onnatuurlijk om zoveel geluid te produceren. Het kost moeite. Het is gênant. Je klinkt als iemand die in een tandartsstoel zit en braaf ‘aaaaaaah’ doet. De gorilla die in je zou moeten huizen doet meer denken aan een pluizig resusaapje, zo een die zoetjes in een hoek met een sleutelring aan het spelen is.

Natuurlijk hoop je dat schreeuwen een soort oerinstinct is dat op de momenten dat je het nodig hebt weer vanzelf wordt gereactiveerd (zoals je ook hoopt dat je eenmaal op een onbewoond eiland opeens wél begrijpt hoe je hurkend in de bosjes moet plassen zonder jezelf te raken – een vaardigheid die ik in de bewoonde wereld maar matig beheers). Maar volgens mij werkt het niet zo: als ik word lastiggevallen door iemand, zeg ik eerder iets als „Hee, hou daar eens mee op”, als een soort wandelend Polygoonjournaal, dan dat ik wagenwijd mijn keel openzet. Ik schreeuw te weinig om het een reflex te kunnen laten zijn. Het zou niet – snel genoeg – in me opkomen.

In de Verenigde Staten hebben ze om dit verschijnsel tegemoet te komen de zogenaamde rape whistles op de markt gebracht: fluitjes die vrouwen in tijden van nood kunnen gebruiken om de omstanders mee te alarmeren. Toch lijkt me dit niet de meest solide oplossing: ik zou bij het horen van een repetitief fluitgeluid vooral aannemen dat er weer eens een voetbalwedstrijd gewonnen was, en ook zelf kan ik niet beloven dat ik nooit, in de bus op weg naar huis, zal vergeten waar mijn fluitje precies voor diende en een poging onderneem om er ‘My Heart Will Go On’ mee te fluiten.

Een echte schreeuw is een wapen. Ik ga oefenen – en ook wat vaker met mijn vinger in iemands hartstreek prikken. Kijken of ik er talent voor heb.