Renske: Gek worden

Vorige week zag ik een herhaling van de documentaire De Van Waveren Tapes. De maker vond een tas vol geluidsopnames op het Waterlooplein – een juttersschat gemaakt van magneetband. Ze blijken gemaakt door Guido van Waveren, een welgestelde jongeman die in de jaren 70 voor zestig uur aan telefoongesprekken en zelf ingesproken monologen opneemt. In de documentaire hoor je hem ruziemaken met zijn moeder, flirten met een vriendin, praten met hulpverleners en zorgelijke boodschappen aan zichzelf inspreken. Er doemt een leven op: in keurige jaren-70-taal kom je steeds meer te weten over zijn problemen, zijn frustraties, zijn verdenkingen, zijn poging om alles onder controle te houden – en je hoort iemand gek worden, alleen op zijn kamer, recorder bij zijn mond, in zichzelf pratend.

Een vriend vroeg laatst: ‘Als jij gek zou worden, wat voor soort gek zou jij dan zijn?’

Een vriend vroeg me laatst: „Als jij gek zou worden, wat voor soort gek zou jij zijn?” Hij bedoelde niet: welke neurologische aandoening zou jij het meest waarschijnlijk krijgen, want dat is te voorspellen noch een gezellige borrelvraag. Hij bedoelde het ook niet zoals die uitspraak „Ik lijk wel gek!” want dat heeft meestal te maken met iemand die net sperzieboontjes heeft gekocht en erachter komt dat ze in een andere supermarkt afgeprijsd zijn – die vorm van gek betekent eigenlijk ‘dom’. Hij bedoelde: welk deel van jouw karakter is het meest sociaal onaangepast, welke neigingen zijn het meest zonderling? Als je die zou uitvergroten, hoe zou je dan de aansluiting met de wereld verliezen?

Hij dacht zelf dat hij iemand zou worden die zich zou opsluiten in zijn huis en ’s nachts uren voor de ramen zou gaan ijsberen. Een vriendin wist vrij zeker dat zij in een bos al rondscharrelend takjes in bepaalde patronen zou leggen. Een vriend stelde zichzelf voor als samenzweringsexpert, een ander vermoedde dat hij alles in huis operatiekamersteriel zou willen houden. En ik zag mezelf wel als iemand die paranoïde zou kunnen worden: het gevoel dat iedereen je in de gaten houdt, dat iedereen iets weet behalve jij. Ik heb daar ooit een vleug van gevoeld – maar toen had ik dan ook Lariam geslikt.

Lariam is een malariapil die hevige psychische bijwerkingen kan hebben en waar reizigers elkaar nogal over opjutten. De bijsluiter is een feest: bijwerkingen als ‘abnormale dromen’, ‘opwinding en onrust, stemmingswisselingen, psychotische aandoening, versterkte achterdocht (paranoia)’ en als uitsmijter: ‘er zijn enkele zeldzame gevallen van zelfmoordneiging gemeld. De relatie met Lariam is in deze gevallen is niet duidelijk’. Joe, en een fijne vakantie nog.

Deze bijwerkingen komen natuurlijk extreem weinig voor. Maar het vreemde is: het lezen van zo’n bijsluiter is genoeg. Gespitst op de klachten ga je ze vanzelf voelen. Eenmaal in een ver land is het niet moeilijk om stemmingswisselingen te voelen, onrust en achterdocht – als je bijvoorbeeld 10 euro voor een taxirit moet betalen en vermoedt dat het 70 cent zou moeten zijn. En wanneer zijn dromen ooit wél normaal? Dat je wakker werd en dacht „heerlijk, zo’n droom over printen”, in plaats van „met mijn basisschoolleraar in galajurk rijdend op een kale gier? WAAROM?” Uiteindelijk weet je bij geen enkel gevoel meer wat ‘hoort’ en wat ingefluisterd is door een boosaardig medicijn. Uit angst voor paranoia word je paranoïde.

Als iemand ooit mijn iPhone vindt op het Waterlooplein, weet dan dat de ingesproken berichtjes allemaal Lariam zijn.